ECLI:NL:CRVB:2007:BA5312

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1858 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en niet-ontvankelijkheid hoger beroep na intrekking besluit

Appellant maakte bezwaar tegen een UWV-besluit van 12 juli 2002 waarbij zijn WAO-uitkering werd herzien van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Dit bezwaar werd bij besluit van 7 februari 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens het hoger beroep trok het UWV het bestreden besluit in en verklaarde het bezwaar alsnog gegrond, waardoor appellant met ingang van 1 augustus 2002 recht behield op een WAO-uitkering in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. De Raad oordeelde dat het belang van appellant bij het hoger beroep daarmee was komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep, en bepaalde dat het griffierecht door het UWV aan appellant werd vergoed. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 9 mei 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard na intrekking van het bestreden besluit en herstel van de oorspronkelijke WAO-uitkering.

Uitspraak

05/1858 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2005, 03/1277 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.A.M. Hesseling, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Op 27 maart 2007 heeft het Uwv per fax een op 28 maart 2007 gedateerd besluit ingezonden. Op dit besluit heeft mr. Hesseling bij faxbericht van 28 maart 2007 gereageerd.
Het geding is op 28 maart 2007 ter behandeling op zitting aan de orde gesteld. Partijen zijn - zoals aangekondigd - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft bij besluit van 12 juli 2002 de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Hangende het hoger beroep heeft het Uwv een besluit van 28 maart 2007 ingezonden. Hierin is onder meer vermeld:
“Wij hebben thans besloten de beslissing op bezwaar van 7 februari 2007 in te trekken en uw bezwaren alsnog gegrond te verklaren.” (…).
Uw bezwaar wordt gegrond verklaard. Zolang u aan de voorwaarden voldoet, heeft u met ingang van 1 augustus 2002 onveranderd recht op WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. Het primaire besluit van 12 juli 2002 wordt ingetrokken.”
De Raad overweegt als volgt.
Het besluit van 28 maart 2007 merkt de Raad aan als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Een aanhangig beroep wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede geacht gericht te zijn tegen een dergelijk besluit, tenzij dit besluit geheel tegemoet komt aan het beroep. De Raad is van oordeel dat het laatste het geval is, nu appellant met ingang van de in geding zijnde datum, 1 augustus 2002, alsnog in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering naar de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Hierbij merkt de Raad nog op dat met het in het besluit van 28 maart 2007 vermelde besluit van
7 februari 2007 kennelijk het bestreden besluit wordt bedoeld, zoals ook de gemachtigde van appellant heeft aangegeven in het hiervoor vermelde faxbericht van 28 maart 2007.
Gelet op de vaste rechtspraak van de Raad met betrekking tot de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb geldt in dit geval dat het belang van appellant bij de beoordeling in hoger beroep van de rechtmatigheid van het besluit van 7 februari 2003 in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat is verzocht om toekenning van schadevergoeding. Een dergelijk verzoek is in dit geval niet gedaan en de Raad is ook anderszins niet van een belang gebleken. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 134,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en
M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
MK