ECLI:NL:CRVB:2007:BA5439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet behouden passende arbeid na contractperiode
Appellant ontving een WW-uitkering en trad per 1 maart 2005 in dienst bij een werkgever voor zes maanden, waarna zijn uitkering werd beëindigd. Na afloop van het contract op 31 augustus 2005 vroeg appellant opnieuw een WW-uitkering aan wegens herleefde werkloosheid. Deze werd door het UWV geweigerd omdat appellant passend werk niet had behouden, zoals vereist volgens artikel 24 en Pro 27 van de WW.
De werkgever had appellant mondeling en schriftelijk toegezegd het contract te verlengen bij goed functioneren, maar deed dit niet tijdig. Na afloop van het contract bood de werkgever alsnog een jaarcontract aan, maar appellant ging hier niet op in. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het niet verlengen van het contract appellant kan worden toegerekend omdat het dienstverband bij goed functioneren verlengd zou zijn. Ook stelde de Raad vast dat het aangeboden werk passend was volgens de WW, en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het aanbod niet kon accepteren. De weigering van de WW-uitkering blijft daarom gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens het niet behouden van passende arbeid.