ECLI:NL:CRVB:2007:BA5575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid appellant
Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten bij het toekennen van een WAO-uitkering. De rechtbank had het inleidend beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen juist is, mede gelet op de medische stukken, waaronder een psychiatrisch rapport.
Appellant voerde ook aan dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van het UWV niet overeenkomt met die van zijn bedrijfsarts. De Raad acht dit onvoldoende onderbouwd omdat de bedrijfsarts geen eigen onderzoek heeft verricht en er geen objectiveerbare ziekte of gebreken zijn vastgesteld.
In het tweede geding, de eerstejaars herbeoordeling, handhaafde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd. Ook hier concludeert de Raad dat de medische situatie onveranderd is en dat appellant in staat is tot het verrichten van de geselecteerde functies. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht een WAO-uitkering ontvangt met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%.