ECLI:NL:CRVB:2007:BA5600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geen toename arbeidsongeschiktheid
Appellante werkte vanaf 28 mei 2001 als agrarisch productiemedewerkster, maar werd op 20 augustus 2002 ziek gemeld met diverse lichamelijke klachten. De verzekeringsarts concludeerde dat haar beperkingen reeds bij aanvang van het dienstverband aanwezig waren. De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was voor haar werk, en dat eventuele gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid niet was toegenomen bij het einde van de wachttijd op 19 augustus 2003.
Het UWV weigerde daarom een WAO-uitkering toe te kennen, primair omdat de arbeidsongeschiktheid bij aanvang volledig was en geheel buiten aanmerking moest worden gelaten, subsidiair omdat er geen toename van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid was. Appellante voerde bezwaar aan tegen de kwalificatie van arbeidsongeschiktheid bij aanvang, wijzend op haar negen maanden werk en beschikbaarheid voor passend werk.
Na aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek bleef het oordeel gehandhaafd dat appellante nooit geschikt was geweest voor haar oorspronkelijke werk. De rechtbank en de Raad bevestigden dit standpunt, stellende dat er geen objectieve medische aanwijzingen zijn voor een relevante verslechtering van haar situatie. De Raad achtte de functies van productiemedewerkster textiel en kartonette maatgevend, waarvoor appellante geschikt was, en concludeerde dat zij op de datum in geding geschikt was voor arbeid, zodat de uitkering terecht werd geweigerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid.