ECLI:NL:CRVB:2007:BA5829

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5123 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toeslag en voorzieningen voor burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Appellant vroeg op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO) toeslag en voorzieningen aan wegens gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waaronder evacuatie en beschietingen.

Verweerster wees de aanvraag aanvankelijk af omdat appellant geen gebeurtenissen had meegemaakt die onder de Wet vallen. Na bezwaar erkende zij dat appellant door oorlogsgeweld was getroffen, maar weigerde de toeslag en voorzieningen wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit.

Appellant voerde aan dat het medisch onderzoek onvolledig was en dat zijn psychische aandoeningen, zoals manische depressies en suïcidale neigingen, het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen. De Raad volgde dit niet, omdat het medische advies en onderzoek geen verband legden tussen de klachten en het oorlogsgeweld.

De Raad oordeelde dat het besluit deugdelijk was gemotiveerd en dat geen nieuwe medische bewijsstukken waren overgelegd die tot een ander oordeel zouden leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld.

Uitspraak

06/5123 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 16 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 30 juni 2006, kenmerk JZ/D70/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007. Appellant is daar in persoon verschenen met bijstand van zijn echtgenote [naam echtgenote]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die is geboren [in] 1936 te Den Haag, heeft in februari 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet en voorzieningen voor huishoudelijke hulp en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op bij hem bestaande gezondheidsklachten, die hij toeschrijft aan de verplichte evacuatie vanuit Scheveningen naar het oosten van het land alsmede aan het meemaken van beschietingen bij de bevrijding van Borculo, waarbij hij ternauwernood aan de dood ontkwam.
Verweerster heeft die aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 25 oktober 2005 met als overweging dat hij geen gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wet vallen. Na gemaakt bezwaar heeft verweerster het besluit van 25 oktober 2005 in zoverre herroepen dat erkend is dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, maar is geweigerd de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet ter verbetering van de levensomstandigheden en de vraagde voorzieningen toe te kennen, omdat er bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van dit oorlogsgeweld, te weten het meemaken van een beschieting bij de bevrijding van Borculo.
In beroep heeft appellant zich gekeerd tegen verweersters opvatting dat er geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel als gevolg van zijn oorlogs-ervaringen. Appellant doet hierbij aanvoeren dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest daar volledig voorbij is gegaan aan zijn manische depressies en suïcidale neigingen die volgens appellant een gevolg zijn van hetgeen hij in de oorlog heeft meegemaakt. Voorts geeft appellant aan wat hij heeft meegemaakt en wat voor gevolgen dat voor hem heeft meegebracht.
De Raad overweegt als volgt.
De zienswijze van verweerster dat bij appellant geen sprake is van tot invalidering in de zin van de Wet leidend psychisch en/of lichamelijk letsel, is in overeenstemming met het advies van een geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad, dat berust op een rapport van onderzoek van appellant op 18 april 2006 door de arts J.H. Husken die beschikte over gedetailleerde en recente informatie van appellants huisarts E.M. Warmenhoven. In dat uitvoerige rapport, waarin wel degelijk aandacht is besteed aan de omstandigheden waaronder appellant de oorlog heeft meegemaakt, is vermeld dat bij appellant sprake is van een bipolaire stoornis en dat er met betrekking tot de persoonlijkheidsstructuur dwangmatige trekken aan de orde zijn. Deze aandoening is volgens deze arts het gevolg van constitutie, aanleg, milieu en opvoedingsfactoren. Een relatie met de geverifieerde calamiteit is niet te leggen. In somatisch opzicht is er sprake van Morbus Parkinson en gereguleerde hypertensie. Ook met betrekking tot het Morbus Parkinson kan qua pathogenese geen verband aangenomen worden met de geverifieerde calamiteit. Deze aandoening die verband houdt met een stofwisselingsprobleem in cerebro is een constitutioneel bepaald probleem. Voorts is namens verweerster opgemerkt dat de moeilijke gezinssituatie na de oorlog door een opvliegende en agressieve vader en een angstige moeder geen factor is die bij de beoordeling in het kader van de Wet een rol kan spelen.
De Raad acht het bestreden besluit deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseur, ingenomen standpunt dat de lichamelijke en psychische klachten van appellant met zijn oorlogservaringen geen verband houden maar duidelijk uit andere oorzaken voortkomen. In beroep zijn geen nadere of andere medische verklaringen overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in zake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) W.M. Szabo.