ECLI:NL:CRVB:2007:BA5863
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst
Betrokkene trad op 10 december 2001 in dienst bij de CWI als junior medewerker financiën. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 december 2004 door een beschikking van de kantonrechter. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kende aanvankelijk een WW-uitkering toe vanaf die datum. Later trok appellant deze uitkering in op grond van verwijtbare werkloosheid vanwege het gedrag en de houding van betrokkene, die aanleiding gaf tot ontbinding van het dienstverband.
De rechtbank Alkmaar oordeelde dat appellant zich te zeer had gebaseerd op het vonnis van de kantonrechter en onvoldoende eigen onderzoek had verricht, waardoor het besluit tot intrekking van de uitkering niet in stand kon blijven. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat uit de stukken blijkt dat betrokkene zich structureel onvoldoende aan instructies hield en ondanks waarschuwingen het gezag van zijn leidinggevende ter discussie stelde.
De Raad verwijst naar diverse beoordelingsformulieren en gespreksverslagen waaruit blijkt dat betrokkene niet naar behoren functioneerde en niet bereid was zijn gedrag te verbeteren. Dit rechtvaardigt het oordeel dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de intrekking van de WW-uitkering wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd en het vonnis van de rechtbank vernietigd.