ECLI:NL:CRVB:2007:BA5880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens ontoereikende arbeidskundige grondslag
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering met ingang van 19 juli 2004 in te trekken, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante stelde dat haar medische beperkingen en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat zij niet in staat was de voorgestelde functies te vervullen. In hoger beroep werd een verklaring van een psychiater overgelegd, maar deze bood onvoldoende aanknopingspunten om de functionele mogelijkheden die het UWV vaststelde te betwijfelen.
De Raad overwoog dat de rechtbank de bezwaren van appellante ten aanzien van de medische onderbouwing afdoende had gemotiveerd afgewezen en onderschreef deze overwegingen. Uit een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts bleek dat van de drie functies waarop het besluit was gebaseerd, er feitelijk slechts twee overbleven, waardoor de arbeidskundige grondslag ontoereikend was. Daarom werd het besluit op bezwaar vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Het nieuwe besluit moest rekening houden met de vastgestelde overschrijdingen in belastbaarheid, met name bij de functie magazijn/expeditiemedewerker, waar de fysieke tilbelasting de belastbaarheid van appellante overschreed. De Raad achtte de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige onvoldoende om deze overschrijdingen te negeren.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen het eerdere besluit, maar gegrond tegen het besluit van 30 juni 2005. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd terugverwezen voor een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit van 30 juni 2005 tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.