ECLI:NL:CRVB:2007:BA5896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag om medische redenen
Appellante was sinds 1995 in dienst bij haar werkgever en kampte vanaf 2003 met burn-out klachten en later ernstige ziekte bij haar echtgenoot, wat leidde tot ziekteverzuim en re-integratiepogingen. Op 30 september 2004 gaf zij aan de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen vanwege een uitzichtloze situatie en om haar gezondheid te beschermen. Het dienstverband eindigde per 4 januari 2005.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde een WW-uitkering omdat appellante verwijtbaar werkloos was geworden door zelf ontslag te nemen terwijl voortzetting van het dienstverband mogelijk was. Appellante voerde aan dat haar ontslag om medische redenen was en dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onvolledig was.
De Raad oordeelde dat uit medische rapporten en adviezen bleek dat re-integratie mogelijk was mits rekening werd gehouden met beperkingen en begeleiding. De Raad vond geen steun voor het standpunt dat voortzetting van het dienstverband niet redelijkerwijs van appellante kon worden gevergd. Het verzoek om de zaak aan te houden voor het horen van de psychiater werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag om medische redenen.