ECLI:NL:CRVB:2007:BA5910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inlichtingenverplichting en vermogen bij aanvraag bijstand
Appellante ontving vanaf 28 april 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert herzag en introk de bijstand omdat appellant een bedrag van € 20.000,-- had overgemaakt naar een bankrekening van haar broer in Turkije en dit niet had gemeld, waardoor zij zou beschikken over vermogen boven de vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking deels gegrond wegens onvoldoende onderzoek en motivering door het College. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij de overboeking en het vermogen moest melden, maar dat zij vanaf de datum van overboeking niet meer over het bedrag beschikte en daar redelijkerwijs ook niet over kon beschikken.
De Raad stelt vast dat het overige vermogen van appellant de vermogensgrens niet overschreed en dat de intrekking van de bijstand en de terugvordering op een ondeugdelijke feitelijke grondslag berusten. Het besluit van 30 augustus 2006 wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij ook een verlaging van de bijstand aan de orde kan zijn. Tevens wordt het College veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen.