ECLI:NL:CRVB:2007:BA5945

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2838 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid en maatmanloon appellant

Appellant, werkzaam als packing-operator, meldde zich ziek per 19 september 2002 en vroeg een WAO-uitkering aan. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 25-35%, later bij bezwaar verhoogd naar 35-45%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde het UWV dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) was bijgesteld, wat leidde tot een herziening van de arbeidsongeschiktheid naar 45-55%. De Raad zag echter geen aanleiding om nieuwe stukken te betrekken en vernietigde het bestreden besluit. Daarnaast bleek uit een verklaring van de werkgever dat appellant recht had op een aanwezigheidsbonus, die het UWV onjuist had verwerkt in het maatmanloon.

De Raad oordeelde dat de aanwezigheidsbonus per jaar betaald werd en evenredig naar het aantal gewerkte uren moest worden toegerekend. Hierdoor waren zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak onjuist. De Raad vernietigde beide en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

05/2838 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 april 2005, 04/1130 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007. Appellant is verschenen bij mr. Meuwissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.C. Höppener.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als packing-operator bij [werkgever]. Per 19 september 2002 heeft appellant zich ziek gemeld. In verband met zijn aanvraag om een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is appellant op 5 september 2003 onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Nadat deze de beperkingen die appellant ondervond had vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant aan het einde van de wettelijke wachttijd, in casu per 18 september 2003 berekend. Dat leidde tot het besluit van 11 november 2003 waarbij die mate van arbeidsongeschiktheid per die datum werd gesteld op 25 tot 35%.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. In het kader daarvan is het dossier van appellant bezien door een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts. Deze zag geen aanleiding om de FML aan te passen. De betrokken bezwaararbeidsdeskundige heeft echter aanleiding gezien om het maatmanloon bij te stellen. Dat leidde bij gelijkblijvende geduide functies tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% per 18 september 2003. In het thans bestreden besluit van 17 juni 2004 heeft het Uwv die conclusie neergelegd.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het medisch onderzoek volledig en voldoende zorgvuldig was. Voorts heeft de rechtbank er op gewezen dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht die aanleiding geeft tot twijfel bij de beoordeling door het Uwv. Naar het oordeel van de rechtbank moest appellant in staat worden geacht om de geduide functies te vervullen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het maatmanloon juist heeft vastgesteld en dat derhalve ook de mate van arbeidsongeschikt juist was vastgesteld.
De Raad oordeelt als volgt.
Ter zitting is namens het Uwv gesteld dat, mede naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971, AY9973, CBBS-2, AY9974, AY9976 en AY9980), de op appellant van toepassing zijnde FML is bijgesteld, hetgeen vervolgens heeft geleid tot een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding naar de klasse 45 tot 55%. De nadere onderbouwing van dat standpunt heeft het Uwv aan de hand van een groot aantal stukken ter zitting willen leveren. Gelet echter op het bepaalde in artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en mede gelet de toelichting die het Uwv in het kader van de problematiek die aan de orde was in de hiervoor genoemde uitspraken van 12 oktober 2006 heeft verstrekt, ziet de Raad geen aanleiding om deze stukken in het geding te betrekken. Aangezien het Uwv zich, gelet op de stellingen ter zitting, thans op het standpunt stelt dat het bestreden besluit niet juist is en de Raad op basis van de voorhanden zijnde stukken niet kan beoordelen in hoeverre het nieuwe standpunt juist geacht kan worden, ziet de Raad geen aanleiding om het verzoek van het Uwv te honoreren om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, en zal de Raad het bestreden besluit vernietigen. Dat brengt mee dat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad voegt daar nog aan toe dat ook om een andere reden het bestreden besluit onjuist is. Uit de stukken is voldoende duidelijk naar voren gekomen dat appellant, ware hij niet ziek geworden, aanspraak kon maken op een aanwezigheidsbonus. Bij de stukken bevindt zich een getekende verklaring van de werkgever van appellant waarin daarvan niet alleen de bevestiging is te vinden, maar waarin ook het betreffende bedrag is genoemd. Het Uwv heeft slechts in zoverre met de toekenning van dat bedrag rekening gehouden, dat dat bedrag evenredig is verdeeld over drie jaren voorafgaand aan de uitval wegens ziekte van appellant. Gelet op zowel de inhoud van het loonbegrip uit de WAO als het uitgangspunt van die wetgeving is de Raad van oordeel dat het Uwv aldus die aanwezigheidsbonus op een onjuiste wijze in het maatmaninkomen tot uitdrukking heeft gebracht. Aangezien die bonus per jaar werd betaald, had het Uwv die bonus naar evenredigheid moeten toerekenen naar het aantal uren dat appellant per jaar werkte. Ook om die reden komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de kosten die appellant heeft moeten maken voor het voeren van dit geding welke kosten worden bepaald op € 644,-- voor rechtsbijstand in beroep en
€ 644,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 1288,-- .
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- (€ 103,-en € 37,-) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.