ECLI:NL:CRVB:2007:BA6248

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2950 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 13 juni 2002, dat zijn WAO-uitkering beëindigde omdat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, steunend op een deskundigenrapport van dr. R.M. Bloem uit 2003. In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn opmerkingen over beperkingen aan zijn linkerhand.

De Centrale Raad van Beroep liet de deskundige Bloem opnieuw onderzoeken en rapporteren. In het nieuwe rapport van januari 2007 stelde de deskundige dat de functies van electronicamonteur, bestelautochauffeur en chauffeur personenbusje niet geschikt waren voor appellant, maar andere functies wel. De Raad volgde het oordeel van de deskundige, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren om daarvan af te wijken.

De Raad vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, met vergoeding van proceskosten aan appellant.

Uitspraak

04/2950 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 april 2004, 03/90 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.H.H. Fuchs, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Fuchs. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.
Na behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft de Raad het onderzoek heropend.
Het onderzoek ter zitting heeft wederom plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fuchs. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. M. de Graaff.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 29 november 2002 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – gehandhaafd zijn besluit van 13 juni 2002 inhoudende dat appellant per 6 juni 2002 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 29 november 2002 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft haar oordeel doen steunen op het door de door haar benoemde deskundige dr. R.M. Bloem, orthopedisch chirurg, uitgebrachte rapport van
12 december 2003. De deskundige heeft in dit rapport aangegeven dat naar zijn mening appellant in staat was de aan de schatting ten grondslag liggende functies te verrichten.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op zijn bij brief van 20 februari 2004 gegeven commentaar op de opvatting van de deskundige. Appellant heeft in deze brief aangegeven dat niet goed te begrijpen is dat de deskundige vaststelt dat er beperkingen zijn aan de linkerhand van appellant waar het gaat om knijpkracht en de gevoeligheid van de linkerduim, maar dat er geen enkele beperking wordt gesteld op de betreffende items in de zogenoemde functionele mogelijkheden lijst.
De Raad heeft bij brief van 15 november 2006 Bloem - kort samengevat - verzocht alsnog te reageren op voormelde brief van 20 februari 2004.
De deskundige heeft - na appellant opnieuw te hebben onderzocht - bij brief van
23 januari 2007 nader gerapporteerd. Hij heeft aangegeven dat hij met name het aspect van hand- en vingergebruik nader heeft bezien. Hij is tot de opvatting gekomen dat er toch enige discrepantie is “ten aanzien van het gebruik van de hand zoals thans beoordeeld en retrospectief geprojecteerd op 2002 …”.
De deskundige acht bij nader inzien de functies van electronicamonteur, bestelautochauffeur en chauffeur personenbusje voor appellant niet geschikt. De functies van samensteller metaalwaren, typist/datatypist, confectie/meubel/dekkleden naaier, inpakkker, kassamedewerker en telefonist/receptionist acht de deskundige voor appellant wel geschikt.
In de vaste jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Het oordeel zoals vervat in het rapport van 23 januari 2007 is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, naar behoren gemotiveerd en consistent. De deskundige heeft op inzichtelijke wijze aangegeven de reden van de aanpassing van zijn eerder gegeven oordeel.
De reactie van de bezwaarverzekeringsarts gedateerd 12 maart 2007 en hetgeen door de gemachtigde ter zitting is gesteld omtrent hetgeen is vermeld in stukken uit 2003 brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat appellant enige tijd vrij is geweest van polsklachten leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de pols volledig en zonder enige beperking belastbaar is. Een aantal stukken waarnaar de gemachtigde ter zitting heeft verwezen is – zoals de gemachtigde heeft erkend – overigens niet aan de Raad overgelegd.
Voor het aannemen van verdergaande beperkingen, zoals door appellant bepleit, ziet de Raad gelet op het rapport van Bloem geen aanleiding.
Niet in geding is dat nu de functie van electronicamonteur niet aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten grondslag kan worden gelegd de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 juni 2002 meer dan 15% bedraagt.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het besluit van 29 november 2002 dienen te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1610,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 29 november 2002;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant de betaalde griffierechten in beroep en hoger beroep van in totaal € 131,-- vergoedt.
De uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
JL