ECLI:NL:CRVB:2007:BA6250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onduidelijkheid geschiktheid functies
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering, waarbij het UWV haar arbeidsongeschiktheidsklasse had vastgesteld op 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen zorgvuldig hadden onderzocht en dat appellante geen tegenbewijs had geleverd. De geschiktheid voor de functies printmonteur, stikster en wikkelaar werd als uitgangspunt genomen.
In hoger beroep richtte het geschil zich op de geschiktheid van de functies van stikster. De Raad concludeerde dat de door het UWV gehanteerde normaalwaarden voor fysieke belasting, zoals gebogen en getordeerd actief zijn en boven schouderhoogte werken, niet overeenkwamen met de beperkingen van appellante volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De toelichtingen van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundigen boden onvoldoende inzicht om aan te tonen dat appellante de functiebelasting kon verdragen.
Daarmee was het oordeel van de rechtbank dat appellante deze functies kon verrichten niet houdbaar. Omdat slechts twee functies overbleven, was de schatting onvoldoende onderbouwd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het UWV een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.