ECLI:NL:CRVB:2007:BA6432

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6142 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22, tweede lid, aanhef en onder a, Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding griffierecht afgewezen

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Hiertegen deed appellante verzet. De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet op 8 mei 2007, waarbij partijen niet verschenen.

De Raad overwoog dat er geen aanleiding was om het eerdere oordeel te wijzigen en dat in het verzetschrift geen gronden waren aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen. De termijnoverschrijding bij betaling van het griffierecht werd als terecht beoordeeld. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige betaling van griffierechten bij het instellen van hoger beroep in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/6142 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 oktober 2006, 06/3477 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna College).
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 20 februari 2007 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van 20 februari 2007 heeft appellante verzet gedaan.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 mei 2007, waar partijen – het College met voorafgaand bericht daarvan – niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 20 februari 2007 berust hierop, dat bij het instellen van het hoger beroep het ingevolge
artikel 22, tweede lid aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 105,-- niet binnen de bij de aangetekend verzonden brief van 4 december 2006 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In geding is het antwoord op de vraag of het hoger beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) R.J. van der Veen.