ECLI:NL:CRVB:2007:BA6516

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/497 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 3 AnwArt. 16 lid 4 AnwArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Anw-uitkering wegens samenwoning na overlijden echtgenoot

Appellante ontving na het overlijden van haar echtgenoot een Anw-uitkering, die in 1999 werd beëindigd wegens vastgestelde samenwoning met een ander. Na een eerdere uitspraak die deze samenwoning bevestigde, verzocht zij in 2003 om herziening van de uitkering met het argument dat de samenwoning medio 2001 was beëindigd.

De Sociale verzekeringsbank wees dit verzoek af omdat appellante te laat een nieuwe aanvraag had ingediend, waardoor het niet meer mogelijk was om objectief vast te stellen of de gezamenlijke huishouding tijdig was beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bewijslast voor het aantonen van het beëindigen van de samenwoning bij appellante lag.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en bevestigt dat appellante niet is geslaagd in het leveren van objectieve gegevens die aantonen dat de samenwoning in 2001 was beëindigd. De Raad benadrukt dat de vraag naar het voeren van een gezamenlijke huishouding reeds onherroepelijk is beslist in een eerdere uitspraak en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om van deze beslissing af te wijken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Anw-uitkering omdat appellante niet heeft aangetoond dat de samenwoning in 2001 was beëindigd.

Uitspraak

05/497 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 december 2004, 04/861 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 31 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting van de Raad heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
II. OVERWEGINGEN
Appellante ontving, na het overlijden van haar echtgenoot [in] 1995, een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).
Bij besluit van 14 december 2000 heeft de Svb appellante medegedeeld dat het recht op Anw-uitkering eindigde op
31 augustus 1999 omdat gebleken was dat zij ingaande september 1999 samenwonend was. De daaropvolgende procedure heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 20 mei 2003, 02/4323 ANW, waarin de Raad heeft geoordeeld dat appellante op en na 31 augustus 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met J.J.E. [J.] (hierna: [J.]).
Op 18 juni 2003 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een Anw-uitkering.
Zij verzoekt daarin primair om herziening van haar Anw-uitkering vanaf 2000 en subsidiair vanaf de datum van de aanvraag. De Svb heeft deze aanvraag bij besluit van 1 juli 2003 afgewezen.
In bezwaar stelt appellante zich primair op het standpunt dat zij nooit heeft samengewoond met [J.]. Subsidiair is appellante van mening dat zij alsnog recht heeft op een Anw-uitkering ingevolge artikel 16, derde lid, van de Anw, omdat de samenwoning binnen zes maanden na het eindigen van de Anw-uitkering is geëindigd.
Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Svb onder meer overwogen dat appellante ruimschoots na zes maanden na het afgeven van het besluit tot beëindiging van de Anw-uitkering een hernieuwde aanvraag heeft gedaan, zodat het voor de Svb op dat moment niet meer mogelijk was vast te stellen of de gezamenlijke huishouding tijdig was beëindigd.
In beroep voert appellante aan dat medio 2001 elke band met betrekking tot de vermeende samenleving met [J.] werd verbroken. [J.] zou bovendien al geruime tijd met een andere vrouw samenwonen, wat eenvoudig zou zijn vast te stellen door middel van observatie. Appellante verklaart bovendien dat zij pas op 24 juni 2003 een verzoek heeft gedaan om voor een Anw-uitkering in aanmerking te komen omdat toen het, naar haar mening onjuiste, standpunt dat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren, bevestigd was. Verder verwijst appellante naar de al eerder in de procedure ingenomen standpunten.
De rechtbank verklaart het ingestelde beroep ongegrond. Zij overweegt daarbij dat de opmerkingen die zijn gemaakt met betrekking tot de beëindiging van de Anw-uitkering, waarover door de Raad in de reeds aangehaalde uitspraak al onherroepelijk is beslist, niet meer aan de orde kunnen komen. De rechtbank is verder van oordeel dat door de late aanvraag van appellante de bewijslast van de leefsituatie per medio 2001 bij appellante berust, omdat deze situatie niet meer valt te verifiëren door de Svb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet kunnen aantonen dat er geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank acht tot slot geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 16, vierde lid, van de Anw aanwezig, daarbij verwijzend naar een uitspraak van de Raad van 10 oktober 2003
(LJN AN8563).
In hoger beroep worden de al eerder verwoorde standpunten herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat, nu appellante geruime tijd na het verstrijken van de zes maanden termijn zoals genoemd in artikel 16, derde lid, van de Anw, opnieuw een aanvraag heeft ingediend, het op haar weg ligt objectieve gegevens aan te dragen waaruit blijkt dat het voeren van een gezamenlijke huishouding met [J.] medio 2001 was beëindigd. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. De vraag of appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [J.] is als zodanig geen onderwerp meer van dit geding, nu de Raad hierover reeds een onherroepelijk geworden oordeel heeft gegeven in eerder genoemde uitspraak.
Ter zitting van de Raad heeft appellante nog gesteld dat zij de verbreking van de samenwoning heeft gemeld tijdens een hoorzitting op 30 maart 2001. Uit het ter zitting door de gemachtigde van de Svb, met toestemming van appellante, overgelegde verslag van deze hoorzitting kan de Raad echter zeker niet concluderen dat toen reeds geen sprake meer was van een gezamenlijke huishouding. Van andere objectieve gegevens waaruit wel deze conclusie getrokken zou kunnen worden voor zover betrekking hebbend op de periode voorafgaand aan medio 2001, is de Raad niet gebleken.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.