ECLI:NL:CRVB:2007:BA6599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 25-35%
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen door psychische klachten en fysieke aandoeningen, waaronder rug-, schouder- en hartklachten, zijn onderschat en dat de geselecteerde functies onvoldoende mogelijkheden tot vertreden bieden, waardoor deze niet passend zouden zijn.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel bevestigd. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beoordeling, mede omdat appellant zijn stellingen niet met medische stukken had onderbouwd.
De Raad onderschrijft de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundigen over de geschiktheid van de geselecteerde functies, die voldoende mogelijkheden tot verzitten bieden. Uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) blijkt niet dat vertreden noodzakelijk is om lang statisch zitten te voorkomen.
Daarom is vastgesteld dat appellant op de datum van 23 juni 2003 in staat was de voorgehouden functies te vervullen, wat resulteert in een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de voortzetting van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25-35% wordt bevestigd.