ECLI:NL:CRVB:2007:BA6599

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3372 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voortzetting WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 25-35%

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen door psychische klachten en fysieke aandoeningen, waaronder rug-, schouder- en hartklachten, zijn onderschat en dat de geselecteerde functies onvoldoende mogelijkheden tot vertreden bieden, waardoor deze niet passend zouden zijn.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel bevestigd. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere beoordeling, mede omdat appellant zijn stellingen niet met medische stukken had onderbouwd.

De Raad onderschrijft de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundigen over de geschiktheid van de geselecteerde functies, die voldoende mogelijkheden tot verzitten bieden. Uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) blijkt niet dat vertreden noodzakelijk is om lang statisch zitten te voorkomen.

Daarom is vastgesteld dat appellant op de datum van 23 juni 2003 in staat was de voorgehouden functies te vervullen, wat resulteert in een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de voortzetting van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25-35% wordt bevestigd.

Uitspraak

05/3372 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 april 2005, 04/74 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 1 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. P.A. Goossens, advocaat te Eindhoven.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen Y.P.J. Derksen.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 17 december 2003, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de aan appellant toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, met ingang van 23 juni 2003 ongewijzigd heeft voortgezet.
De rechtbank heeft het beroep – op de in de uitspraak opgenomen overwegingen – ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant – evenals in beroep – aangevoerd dat zijn beperkingen gelet op zijn psychische klachten, zijn rug-, schouder- en hartklachten op tal van punten zijn onderschat en dat de geselecteerde functies onvoldoende mogelijkheid tot vertreden bieden en derhalve niet passend zijn.
De Raad overweegt als volgt.
In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde en niet met medische stukken onderbouwde stelling dat de beperkingen van appellant zijn onderschat, in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen.
De Raad kan zich verder, evenals de rechtbank, vinden in de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundigen A.P.L. van Beek en T.E.A. de Groot ten aanzien van de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellant, neergelegd in de rapportages van 22 oktober 2003 en 22 maart 2005. Daarbij wijst de Raad erop dat uit de ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’ (FML) van 8 mei 2003 niet blijkt dat appellant moet kunnen vertreden teneinde te lang statisch zitten te voorkomen. De geselecteerde functies bieden blijkens het rapport van bezwaararbeidskundige De Groot van 2 augustus 2005 voldoende mogelijkheden tot verzitten.
Het is de Raad, uitgaande van de op 8 mei 2003 vastgestelde FML, niet kunnen blijken dat appellant op de datum in geding, 23 juni 2003, niet in staat kon worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.