ECLI:NL:CRVB:2007:BA6644
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herleving werknemerschap en weigering WW-uitkering na zelfstandige werkzaamheden
Appellant was tot 18 november 2003 in dienst bij de gemeente Utrecht en had daarnaast een eenmanszaak die hij per 17 september 2004 beëindigde. Na beëindiging van het dienstverband vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden en niet binnen de WW-termijnen zijn werknemerschap had herkregen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van het UWV vanwege het ontbreken van hoor en wederhoor, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant zijn zelfstandige werkzaamheden niet binnen de vereiste termijn had beëindigd. Zowel het UWV als de werkgever stelden in hoger beroep dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige al vóór 18 november 2003 was begonnen, waardoor de termijn van anderhalf jaar volgens artikel 8, tweede lid, WW was verstreken.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf 1999 een eenmanszaak had en niet als startende zelfstandige kon worden beschouwd op het moment dat hij werkloos werd. Ook concludeerde de Raad dat appellant zijn werknemerschap niet had herkregen binnen de zes maanden na beëindiging van zijn zelfstandige werkzaamheden, zoals vereist in artikel 8, vierde lid, WW. De Raad bevestigde daarom het oordeel dat appellant geen recht heeft op WW-uitkering en wees het hoger beroep af.
De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het bestreden besluit in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WW-uitkering omdat hij zijn werknemerschap niet binnen de wettelijke termijnen heeft herkregen.