ECLI:NL:CRVB:2007:BA6652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aard van vergoeding bij ontbinding arbeidsovereenkomst en gevolgen voor WW-uitkering
Appellante was sinds 1 maart 2003 in dienst bij een werkgever en meldde zich ziek per 24 maart 2004. De loonbetaling werd vanaf oktober 2004 opgeschort. De werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waarbij een vergoeding van €5.500 werd toegekend. Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen tot en met 30 april 2005, omdat de vergoeding werd gelijkgesteld aan inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking.
Appellante stelde dat de vergoeding eigenlijk achterstallig loon betrof en dat zij daarom recht had op WW-uitkering gedurende de fictieve opzegtermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de vergoeding terecht als ontbindingsvergoeding was aangemerkt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat uit de ontbindingsbeschikking en processtukken niet blijkt dat de vergoeding achterstallig loon is.
De Raad benadrukt dat de fictieve opzegtermijn van 15 maart 2005 tot en met 30 april 2005 loopt en dat de vergoeding gelijkgesteld wordt met loon over deze periode. Omdat de vergoeding een ontbindingsvergoeding betreft, heeft appellante geen recht op WW-uitkering over deze termijn. De Raad wijst ook een verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De vergoeding van €5.500 wordt als ontbindingsvergoeding aangemerkt, waardoor appellante geen WW-uitkering krijgt over de fictieve opzegtermijn.