ECLI:NL:CRVB:2007:BA6704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens doorwerken na ontslag en termijnoverschrijding bezwaar
Betrokkene was werkzaam als metselaar in Duitsland en werd per 12 januari 2004 ontslagen. Hij ontving een WW-uitkering van 12 januari tot 4 april 2004. Na een fraudeonderzoek werd de uitkering ingetrokken omdat betrokkene na ontslag doorwerkte bij dezelfde werkgever. Betrokkene maakte bezwaar tegen de intrekking, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar wel tijdig was ingediend, omdat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift op de laatste dag van de termijn was gepost.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat het poststempel op de enveloppe een latere datum aangaf en dat de verklaring van betrokkene en zijn echtgenote onvoldoende was om een incorrecte postverwerking aan te nemen. De Raad concludeerde dat het bezwaar niet tijdig was ingediend en verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank had ook het bezwaar tegen de terugvordering van de onverschuldigde uitkering gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De Raad oordeelde dat de terugvordering nog niet voldoende vaststaat en verwees de zaak terug naar de rechtbank om te beoordelen of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.
De Raad wees proceskostenveroordeling af en bepaalde dat de aangevallen uitspraak over de termijnoverschrijding wordt vernietigd, het beroep ongegrond wordt verklaard, en de terugvordering terugverwezen wordt voor inhoudelijke beoordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard en de terugvordering wordt terugverwezen naar de rechtbank.