ECLI:NL:CRVB:2007:BA6726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3659 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 5 november 2004, waarbij haar per 26 december 2002 een WAO-uitkering is geweigerd. De rechtbank Zutphen had dit beroep ongegrond verklaard. Appellante stelde dat haar beperkingen op meerdere punten waren onderschat en dat de functies van elektronicamonteur, bankmedewerker balie en bode, bezorger niet passend voor haar waren.

De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank, mede omdat appellante haar stellingen niet met medische stukken had onderbouwd. De rapportages van bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee, inclusief een nadere toelichting van maart 2007, ondersteunen de conclusie dat de genoemde functies geschikt zijn voor appellante.

Uitgaande van de Functionele Mogelijkheden Lijst van 3 september 2002 blijkt dat appellante op de datum in geding niet volledig arbeidsongeschikt was en een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% had. Hierdoor faalt het hoger beroep en wordt de weigering van de WAO-uitkering gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/3659 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 april 2005, 04/1747 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 1 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. J.J. van der Woude, werkzaam bij Bureau Rechtshulp te Zutphen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Woude. Voor het Uwv is verschenen A.G.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 5 november 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – aan appellante per 26 december 2002 een WAO-uitkering heeft geweigerd. Voor een overzicht van de aan het besluit van 5 november 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
De rechtbank heeft het beroep – op de in de uitspraak opgenomen overwegingen – ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante – evenals in beroep – aangevoerd dat haar beperkingen op tal van punten zijn onderschat en dat de functies van elektronicamonteur (SBC 267040), bankmedewerker balie (SBC 516190) en bode, bezorger (SBC 315140) voor haar niet passend zijn.
De Raad overweegt als volgt.
In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde en niet met medische stukken onderbouwde stelling dat appellantes beperkingen zijn onderschat, in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen.
De Raad kan zich verder, evenals de rechtbank, vinden in de conclusies van bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee ten aanzien van de geschiktheid van de geduide functies voor appellante, neergelegd in diens rapportages van 13 oktober 2004, 1 november 2004 en 17 januari 2005. Daarbij betrekt de Raad de rapportage van bezwaararbeidskundige Van Rhee van 30 maart 2007, waarin genoegzaam nader is toegelicht dat ook de functie van bode, bezorger voor appellante geschikt is.
Het is de Raad, uitgaande van de op 3 september 2002 vastgestelde ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’, niet kunnen blijken dat appellante op de datum in geding, 26 december 2002, niet in staat kon worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
CVG