ECLI:NL:CRVB:2007:BA6737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld bij partiële ongeschiktheid en therapiedagen
Appellant heeft zich ziek gemeld en maakte aanspraak op ziekengeld vanwege lichamelijke en psychische klachten, waaronder een medisch geïndiceerde therapie op woensdag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering van ziekengeld ongegrond. Appellant was volgens medische beoordelingen in staat zijn werkzaamheden op de overige dagen te verrichten.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet, ook niet vanwege de therapiedagen, omdat woensdag een vrije dag was volgens zijn arbeidspatroon. De Raad vond geen aanleiding een onafhankelijke deskundige in te schakelen en onderschreef de medische beoordelingen.
Verder werd bevestigd dat de Ziektewet geen gedeeltelijke ongeschiktheid kent en dat het volgen van therapie op woensdag niet afdoet aan de geschiktheid voor het werk. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en de weigering van ziekengeld per 11 juli 2003 en per 10 augustus 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk ondanks therapiedagen.