ECLI:NL:CRVB:2007:BA6873

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/3940 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor nutsvoorzieningen wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van nutsvoorzieningen, specifiek een energienota van €515,35. Het College van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen wees dit verzoek af omdat de kosten niet als noodzakelijke kosten uit bijzondere omstandigheden konden worden aangemerkt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat energiekosten voorzienbaar zijn en binnen de bijstandsnorm moeten worden voldaan. Ook een hogere energiebelasting en het feit dat appellant slechts een deel van de eindafrekening betaalt, vormen geen bijzondere omstandigheden.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat langdurige bijstandverlening op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is en dat appellant tijdig een betalingsregeling met Essent had kunnen treffen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

06/3940 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 juni 2006, 06/21 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Gilze en Rijen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 15 juni 2005 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van nutsvoorzieningen. Bij de aanvraag heeft appellant de jaarafrekening 2004/2005 overgelegd, waaruit blijkt dat hij een bedrag van € 515,35 aan Essent is verschuldigd.
Bij besluit van 4 juli 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat deze kosten niet zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voorvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
Bij besluit van 21 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2005 onder verwijzing naar artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 november 2005 ongegrond verklaard. In deze uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het College als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“De kosten van energie zijn voorzienbaar en behoren tot de voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten eiser in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, bijvoorbeeld door bij het energiebedrijf om een hoger voorschotbedrag te vragen. De enkele omstandigheid dat de energiebelasting hoger is geworden en eiser slechts een gedeelte van de gehele eindafrekening werkelijk aan energiekosten betaalt, vormen naar het oordeel van de rechtbank niet zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder gehouden was bijzondere bijstand te verstrekken.”.
In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft een alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB alsmede de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hieraan toe dat het enkele feit dat aan appellant langdurig bijstand is verstrekt op zichzelf niet kan gelden als bijzondere omstandigheid. Voorts is ook de Raad van oordeel dat appellant bij Essent tijdig een verzoek om een betalingsregeling had kunnen indienen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper
PR/260407