ECLI:NL:CRVB:2007:BA6958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding mede-eigendom onroerend goed
Appellante ontving vanaf 1996 aanvullende bijstand als alleenstaande ouder. Het College van B&W ontdekte via het Kadaster dat appellante sinds de jaren tachtig mede-eigenaar was van meerdere panden die werden verhuurd, waarvan de huuropbrengsten door haar mede-eigenaar werden ontvangen. Appellante had dit vermogen niet opgegeven bij het College of de fiscus.
Naar aanleiding van deze feiten stopte het College in 2004 de bijstand en vorderde de kosten over de periode van 1997 tot en met 2004 terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellante voerde aan zich niet bewust te zijn geweest van haar mede-eigendom en dat de panden op naam van haar ex-partner zouden staan, gesteund op een ongedateerde verklaring.
De Raad oordeelde echter dat de verklaring juist het gezamenlijke bezit bevestigt en dat de notariële akte uit 1997 het mede-eigenaarschap van appellante onderstreept. Omdat appellante geen relevante gegevens over haar vermogen had verstrekt, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De vaste gedragslijn van het College om bij niet-naleving van de inlichtingenplicht terugvordering toe te passen, werd als redelijk beoordeeld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van kosten wegens niet-melding van mede-eigendom wordt bevestigd.