ECLI:NL:CRVB:2007:BA6996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- G. van der Wiel
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens en afwijzing langdurigheidstoeslag
Appellant ontvangt sinds 2 juli 1999 bijstand en beschikt over een koopsompolis die op 28 december 2000 een uitkering zou genereren. Na beëindiging van een schuldsaneringsregeling per 11 juli 2002 is vastgesteld dat appellant schuldenvrij is. Het College heeft bij besluiten in 2004 het vermogen van appellant opnieuw vastgesteld en geconcludeerd dat hij de vermogensgrens overschreed, waardoor bijstand over een periode is ingetrokken en teruggevorderd. Tevens werd een aanvraag voor langdurigheidstoeslag afgewezen wegens te veel vermogen.
Appellant voerde aan dat de waardestijging van de koopsompolis niet als vermogen mocht worden gerekend en dat de polis voor de helft aan zijn ex-echtgenote toebehoorde. De Raad oordeelt dat de waarde van de koopsompolis terecht geheel aan appellant is toegerekend, omdat het bestaan van een schuld aan de ex-echtgenote niet aannemelijk is gemaakt en het convenant niet ondertekend is.
De Raad volgt het College in het standpunt dat de waardestijging van de koopsompolis geen spaargeld betreft dat buiten het vermogen blijft. Het College heeft terecht de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode dat appellant de vermogensgrens overschreed. Ook het beleid omtrent langdurigheidstoeslag wordt niet onredelijk geacht. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 30 mei 2006 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 30 mei 2006 wordt ongegrond verklaard.