ECLI:NL:CRVB:2007:BA7307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid werknemer voor eigen functie bij WAO-uitkering
De werknemer, werkzaam als onderbaas afbouw, viel in 1997 uit wegens psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in 1999 in op grond van de stelling dat de werknemer geschikt was voor zijn eigen werk. De werkgever maakte bezwaar en stelde dat de werknemer niet geschikt was vanwege fysieke en psychische beperkingen.
De rechtbank Leeuwarden verklaarde het bezwaar gegrond en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid op 35 tot 45%. Zowel de werkgever als het UWV gingen hiertegen in hoger beroep. De kern van het geschil betrof de vraag of de werknemer met ingang van 6 juli 1999 geschikt was voor zijn eigen functie, waarbij de feitelijke invulling van de functie en de werkbelasting centraal stonden.
De Raad concludeert dat de werknemer zijn werk in de praktijk anders invulde dan de werkgever voor ogen had, met minder fysieke belasting en werkdruk. Dit blijkt uit verklaringen van de werknemer en collega’s en het rapport van de arbeidsdeskundige Brouwer. De Raad volgt de conclusies van Brouwer dat de werknemer geschikt is voor zijn functie. De hogere beroepen worden verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werknemer geschikt is voor zijn eigen functie en wijst de hoger beroepen van werkgever en UWV af.