ECLI:NL:CRVB:2007:BA7333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens passend werk ondanks rugklachten
Appellant, werkzaam als algemeen magazijnmedewerker, vorderde ziekengeld vanaf 21 november 2000 nadat hij ontslag had genomen vanwege weigering zwaardere werkzaamheden te verrichten. Het UWV weigerde ziekengeld, stellende dat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk. Na bezwaar en onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd geconcludeerd dat appellant belastbaar was voor zijn oorspronkelijke functie.
De rechtbank oordeelde dat de aangepaste werkzaamheden sinds 1 juli 2000 als arbeid in de zin van de Ziektewet moesten worden beschouwd, maar de Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad stelde dat appellant zijn oorspronkelijke functie bleef vervullen, ook tijdens de lichtere werkzaamheden, en dat de belasting van die functie niet de vastgestelde belastbaarheid overschreed.
De Raad vond geen aanleiding om het besluit te herzien en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van ziekengeld gehandhaafd bleef. De Raad wees tevens op het ontbreken van medische stukken die het oordeel van de verzekeringsarts zouden kunnen ondermijnen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant passend werk kon verrichten en het dienstverband was beëindigd.