ECLI:NL:CRVB:2007:BA7635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verhoging nabestaandenuitkering na beëindiging gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 november 1991 een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), dat vanaf 1 juli 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering volgens de Algemene nabestaandenwet (Anw). Omdat zij op 1 juli 1996 en 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, werd haar uitkering per 1 januari 1998 verminderd tot 30% van het bruto-minimumloon.
Na het overlijden van haar partner in 2004 vroeg appellante een verhoging van de nabestaandenuitkering aan, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij ten tijde van het overlijden geen gezamenlijke huishouding voerden. Deze afwijzing werd door de rechtbank bevestigd en ook in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep gehandhaafd.
De Raad overwoog dat volgens artikel 67, derde lid, van de Anw alleen een verhoging naar 70% van het netto-minimumloon mogelijk is indien de gezamenlijke huishouding binnen zes maanden na 1 januari 1998 wordt beëindigd. Aangezien de gezamenlijke huishouding in dit geval langer voortduurde, bestaat geen recht op verhoging. Ook een verzoek tot herziening van de uitkering per januari 2003 werd afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot verhoging van de nabestaandenuitkering wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.