ECLI:NL:CRVB:2007:BA7672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot
Appellante diende op 7 februari 2005 een aanvraag om bijstand in, welke door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 8 maart 2005 werd afgewezen. Het bezwaar hiertegen werd op 21 juli 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing op 1 juni 2006.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellante en haar ex-echtgenoot een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen het recht op bijstand uitsluit. De Raad overwoog dat het hoofdverblijf in dezelfde woning bepalend is en dat het feit dat de ex-echtgenoot op een ander adres stond ingeschreven, niet uitsluit dat sprake is van samenwoning.
De Raad hechtte bijzondere waarde aan een gedetailleerde verklaring van appellante tijdens een huisbezoek op 28 februari 2005, waarin zij verklaarde dat haar ex-echtgenoot zes dagen per week bij haar sliep en zijn kleding daar aanwezig was. Deze verklaring werd als betrouwbaar en niet onaannemelijk beoordeeld. De Raad verwierp het verweer dat appellante de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om aan de verklaring gehouden te worden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.