Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7724

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04/2991 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en weigering herziening WAO-uitkering

Appellant ontving een WAO-uitkering die sinds 4 juni 2002 werd berekend op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het UWV trok deze uitkering per 17 februari 2003 in, stellende dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank stelde vervolgens de arbeidsongeschiktheid vast op 15 tot 25% en verklaarde het beroep van appellant gegrond.

Appellant ging in hoger beroep tegen deze vaststelling en stelde dat zijn beperkingen werden onderschat. De Centrale Raad van Beroep liet een orthopedisch chirurg een medisch advies uitbrengen, die concludeerde dat de vastgestelde belastbaarheid correct was en dat appellant de functies kon vervullen die hem werden voorgehouden.

De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van dit oordeel of nader onderzoek te verrichten. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag ook geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 mei 2007, waarbij de aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 15 tot 25% en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

04/2991 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 april 2004, 2003/657 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appellant heeft een nader stuk ingezonden.
De orthopedisch chirurg dr. A.D. Verburg heeft de Raad desgevraagd van verslag en advies gediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 12 april 2007. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), welke laatstelijk sedert
4 juni 2002 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 18 december 2002 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 17 februari 2003 ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% bedroeg. Appellants bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van
31 maart 2003 ongegrond verklaard.
Ter zitting van de rechtbank heeft het Uwv zich nader op het standpunt gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 17 februari 2003 15 tot 25% bedroeg. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 2003 vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 februari 2003 vastgesteld op
15 tot 25%, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 17 februari 2003 15 tot 25% bedroeg. Appellant is van oordeel dat zijn lichamelijke beperkingen zijn onderschat.
Op verzoek van de Raad heeft de orthopedisch chirurg Verburg, voornoemd, van verslag en advies gediend. In zijn rapport van 13 december 2006 is deze deskundige op grond van zijn anamnese en lichamelijk en röntgenologisch onderzoek tot het oordeel gekomen dat op de in geding zijnde datum de voor appellant vastgestelde belastbaarheid van toepassing was en dat appellant op die datum de aan hem voorgehouden functies kon vervullen. De Raad ziet geen aanknopingspunten om dit oordeel niet te volgen. Ook overigens heeft de Raad in de gedingstukken geen aanleiding kunnen vinden de voor appellant vastgestelde belastbaarheid en de medische geschiktheid van de functies onjuist te achten dan wel daarnaar nader onderzoek te doen verrichten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.