Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BA7773

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/529 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medisch en arbeidskundig onderzoek

Appellant, met Marokkaanse nationaliteit, ontving sinds 1988 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na terugkeer naar Marokko werd hij in 2001 medisch onderzocht door diverse specialisten in opdracht van het UWV. Op basis van deze onderzoeken stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst op, waarna een arbeidsdeskundige de arbeidsongeschiktheid op 15% schatte.

Het UWV trok de WAO-uitkering per 18 mei 2003 in. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, stellende dat het besluit voldoende medisch en arbeidskundig was onderbouwd.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij ook na 18 mei 2003 volledig arbeidsongeschikt was, onderbouwd met een medische verklaring van een arts uit Marokko en aanvullende verklaringen van zijn echtgenote. De Raad oordeelde dat deze verklaringen geen overtuigend bewijs vormden, mede omdat de verklaring niet op de juiste datum betrekking had en latere medische verklaringen geen nieuwe feiten toevoegden.

De Raad concludeerde dat de arbeidsdeskundige schatting en medische beoordeling toereikend waren en dat er voldoende passende functies voor appellant beschikbaar zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellant wordt bevestigd wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing voor arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/529 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (Marokko) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2004, 03/2671 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord en nadere, van de echtgenote van appellant ontvangen, stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 mei 2007, waar partijen – het Uwv met voorafgaand bericht zijn – niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en in Nederland werkzaam was als veldmedewerker, is op 14 mei 1987 uitgevallen met maagklachten en myalgische pijnen. Bij besluit van 15 september 1988 is hem met ingang van 14 mei 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant was inmiddels naar Marokko teruggekeerd. Op verzoek van het Uwv is appellant in 2001 in Marokko onderzocht door de algemeen arts F. Lamouri, die tevens onderzoeken heeft laten verrichten door – onder meer – de psychiater F. Merini, de internist A. Aitm’barek en de KNO-arts A. Chraibi. Op basis van de uit deze onderzoeken verkregen gegevens heeft de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige S.L. Koot heeft, na een theoretische schatting, vastgesteld dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder bedroeg van 15%. Na vooraankondiging bij brief van 11 november 2002 is bij besluit van 6 december 2002 appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 18 mei 2003 ingetrokken.
In de bezwaarschriftprocedure is de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar tot de conclusie gekomen dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen argumenten bevat om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Bij beslissing op bezwaar van 29 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv vervolgens het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard, overwegende dat het bestreden besluit zowel medisch als arbeidskundig op een toereikende grondslag berust.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij ook op en na 16 (bedoeld zal zijn: 18) mei 2003 volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is te achten. Ter ondersteuning van deze stelling is verwezen naar een in beroep overgelegde medische verklaring van de arts dr. A. Mahfoud, waaruit zou blijken dat appellant van 19 mei tot en met 24 juni 2003 opgenomen is geweest in het Hôpital Ibn Baja te Taza. Van het Uwv zijn voorts in hoger beroep enkele, aan die uitvoeringsinstelling gerichte, brieven van de echtgenote van appellant ontvangen, waarbij medische verklaringen zijn gevoegd.
De Raad overweegt als volgt.
Appellant is op verzoek van het Uwv in Marokko door een aantal artsen van verschillende disciplines onderzocht. De door hen gevonden medische beperkingen zijn door de algemeen arts Lamouri weergegeven op een formulier MN 214. Naar het oordeel van de Raad heeft de verzekeringsarts Van Eldijk bij het opstellen van de FML voldoende rekening gehouden met deze beperkingen met uitzondering van het aspect ‘tillen en dragen’ tot 5 kg, waarvoor appellant in genoemd formulier enigszins beperkt wordt geacht, in de zin dat hij daartoe regelmatig in staat wordt geacht. De Raad stelt echter vast dat de belastbaarheid van appellant in het merendeel van de voor hem geselecteerde functies op dit punt niet wordt overschreden, zodat in ieder geval voldoende passende functies resteren om de schatting op te kunnen baseren.
Aan de verklaring van de arts Mahfoud van 19 mei 2003, volgens welke appellant op die datum in het ziekenhuis zou zijn opgenomen, kan de Raad niet die betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat deze verklaring geen betrekking heeft op de datum in geding, 18 mei 2003. Daarnaast acht de Raad het feit dat eerst geruime tijd later in genoemde verklaring als einddatum van de gestelde opname ‘24 juni 2003’ is toegevoegd, weinig overtuigend. Ten aanzien van de in hoger beroep via het Uwv ontvangen medische verklaringen merkt de Raad ten slotte op dat deze geen nieuwe gezichtspunten opleveren, nu ze dateren van na de datum in geding en slechts melding maken van reeds bekende klachten, waarmee bij de voorbereiding van het bestreden besluit rekening is gehouden.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) P.H. Broier.