ECLI:NL:CRVB:2007:BA8045

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1534 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit voortzetting WAO-uitkering zonder nieuwe feiten

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV van 17 juni 2004, waarin het UWV het besluit van 16 februari 1998 handhaafde tot ongewijzigde voortzetting van zijn WAO-uitkering per 14 oktober 1996.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de brief van longarts Oosterling van 7 oktober 2002 geen nieuw feit of omstandigheid bevatte in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, maar slechts een nadere toelichting op reeds bekende feiten was. De longarts handhaafde zijn eerdere conclusie dat appellant bij aanvang van zijn werkzaamheden eind juni 1995 al volledig arbeidsongeschikt was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat deze brief een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand bij aanvang van de werkzaamheden, maar de Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de brief geen nieuw feit oplevert en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J. Brand op 15 juni 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot voortzetting van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/1534 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2005, 04/3253 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 15 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2007. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 17 juni 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – heeft gehandhaafd zijn besluit om niet terug te komen van het besluit van 16 februari 1998 strekkende tot ongewijzigde voortzetting van de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 14 oktober 1996. Voor een overzicht van de aan het besluit van 17 juni 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging – kort samengevat – dat de brief van longarts P.W. Oosterling van 7 oktober 2002, waarin deze op verzoek van appellant ingaat op zijn eerdere brief van 7 december 2001, enkel een nadere beschouwing op of uitleg van bekende feiten is. De brief van 7 oktober 2002 levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen nieuw gebleken feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Algemene Pro wet bestuurswet (Awb) op. Daarbij heeft de rechtbank ook betekenis gehecht aan de handhaving door longarts Oosterling van zijn eerdere conclusie dat appellant bij aanvang van zijn werkzaamheden eind juni 1995 al volledig arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat bij besluit van 16 februari 1998 ten onrechte is aangenomen dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden eind juni 1995 al volledig arbeidsongeschikt was.
De Raad overweegt als volgt.
Gelezen in samenhang met hetgeen door appellant in bezwaar en beroep is aangevoerd, begrijpt de Raad de grief van appellant aldus dat hij meent dat de brief van longarts Oosterling van 7 oktober 2002 een zodanig ander licht werpt op (de inschatting van) zijn gezondheidstoestand bij aanvang van de werkzaamheden eind juni 1995 dat er wel sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb Pro en moet worden teruggekomen van het besluit van 16 februari 1998.
In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep niet nader onderbouwde grieven in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. Ook de Raad is van oordeel dat de brief van longarts Oosterling van 7 oktober 2002 een nadere toelichting geeft op feiten die reeds bekend waren en derhalve niet een nieuw gebleken feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 Awb Pro oplevert.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2007.
(get.) J. Brand.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.