ECLI:NL:CRVB:2007:BA8045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit voortzetting WAO-uitkering zonder nieuwe feiten
Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV van 17 juni 2004, waarin het UWV het besluit van 16 februari 1998 handhaafde tot ongewijzigde voortzetting van zijn WAO-uitkering per 14 oktober 1996.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de brief van longarts Oosterling van 7 oktober 2002 geen nieuw feit of omstandigheid bevatte in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, maar slechts een nadere toelichting op reeds bekende feiten was. De longarts handhaafde zijn eerdere conclusie dat appellant bij aanvang van zijn werkzaamheden eind juni 1995 al volledig arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat deze brief een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand bij aanvang van de werkzaamheden, maar de Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de brief geen nieuw feit oplevert en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J. Brand op 15 juni 2007.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot voortzetting van de WAO-uitkering wordt bevestigd.