ECLI:NL:CRVB:2007:BA8234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4057 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken van vervolging tijdens Japanse bezetting

Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in augustus 2005 een WUV-uitkering aan als vervolgingsslachtoffer van de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij stelde dat hij met zijn moeder en broers en zussen op verschillende plaatsen in onderduik verbleef vanwege het Europese uiterlijk van zijn broer en zus.

De verweerster wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant vervolging had ondergaan of dat hij maatregelen van de Japanse bezetter had ondergaan of vreesde op grond van ras, geloof, wereldbeschouwing of Europese afkomst. De Raad toetste dit en concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor systematisch onderduiken of dreiging van vrijheidsberoving. Appellant gaf zelf aan dat hij vanwege zijn donkere huidskleur ongehinderd buiten kon spelen en zijn moeder vrijelijk aan het openbare leven deelnam.

De Raad oordeelde dat het beroep ongegrond is en bevestigde het besluit tot afwijzing van de uitkering. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 juni 2007.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WUV-uitkering bevestigd.

Uitspraak

06/4057 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 21 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 14 juni 2006, kenmerk JZ/060/2006, door verweerster genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hier: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om, voor zover hier van belang, als vervolgde voor een periodieke uitkering ingevolge de Wet in aanmerking te komen. In dat verband heeft appellant gesteld dat hij tijdens de Japanse bezetting met zijn moeder en de andere kinderen op steeds verschillende plaatsen in onderduik heeft verbleven om zo uit handen van de Japanse bezetter te blijven. Appellant heeft daarbij aangegeven dat dit voorname-lijk verband hield met het Europese uiterlijk van zijn broer en zus.
2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 15 februari 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is gebleken dat appellant vervolging heeft ondergaan dan wel dat hij handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter heeft ondergaan of had te vrezen op grond van zijn ras, geloof of wereldbeschouwing, Europese afkomst of Europees gezinde instelling.
3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij overweegt daartoe als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 2 van Pro de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof of wereldbeschouwing dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, dan wel tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
3.2. Op grond van de beschikbare gegevens moet de Raad met verweerster vaststellen dat in de door appellant gegeven weergave van zijn ervaringen gedurende de Japanse bezetting geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat er sprake is geweest van onderduik nu van systematisch zich schuilhouden voor de Japanse bezetter dan wel enig gevaar voor dreigende vrijheidsberoving niet is gebleken. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant tijdens het persoonlijk onderhoud in het kader van de bezwaarfase heeft aangegeven dat hij vanwege zijn donkere huidskleur ongehinderd kon buiten spelen, omdat hij tussen de lokale bevolking niet opviel. Voorts blijkt uit de verklaringen van appellant, zoals neergelegd in het sociaal rapport van 25 november 2005, dat ook zijn moeder vrijelijk aan het openbare leven kon deelnemen. Dat zijn broer en zus kennelijk niet ongehinderd buiten konden spelen, maakt dat niet anders.
4. Op grond van het voorgaande moet de hierboven opgeworpen vraag bevestigend worden beantwoord. Het ingestelde beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.P. Schieveen.