ECLI:NL:CRVB:2007:BA8249

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5185 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 44 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 7:1 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:15 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering periodieke WUV-uitkering wegens onvoldoende causaal verband klachten en vervolging

Appellant, geboren in 1932, vroeg in januari 2005 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster kende hem een tegemoetkoming toe, maar weigerde de periodieke uitkering omdat de psychische klachten (slaapproblemen) niet leidden tot verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Ook werd geen causaal verband aangenomen voor andere fysieke en psychische klachten.

Appellant stelde in beroep dat het medisch onderzoek onvoldoende betrouwbaar was en dat de omgekeerde bewijslast van artikel 7 lid 2 van Pro de Wet van toepassing moest zijn. Tevens voerde hij aan dat onvoldoende was onderzocht of zijn fysieke klachten psychosomatisch waren en in verband stonden met de vervolging. Ook werd bezwaar gemaakt tegen de weigering van een voorziening voor sociaal vervoer.

De Raad oordeelde dat de weigering van de voorziening voor sociaal vervoer een primair besluit betrof waartegen eerst bezwaar gemaakt moest worden. De Raad vond dat verweerster voldoende had onderbouwd dat de psychotische en cognitieve klachten niet aan de vervolging waren toe te schrijven. Er was geen aanwijzing dat de fysieke klachten voortvloeiden uit psychische klachten gerelateerd aan vervolging. De omgekeerde bewijslast was dan ook niet van toepassing. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een periodieke WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/5185 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 4 augustus 2006, kenmerk JZ/Z70/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1932, heeft in januari 2005 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wet. Bij besluit van 23 december 2005 heeft verweerster appellant erkend als vervolgde en aan hem met ingang van 1 januari 2005 onder meer een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschap-pelijk (DMV) verkeer toegekend. Een periodieke uitkering is aan appellant niet toegekend op de grond dat de bij appellant vastgestelde psychische klachten als gevolg van de ondergane vervolging (slaapproblemen) niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Voor de rug-, nek-, schouder- en hartklachten, psychotische verschijnselen en cognitieve achteruitgang van appellant is geen causaal verband met de vervolging aangenomen. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. De gevraagde voorziening voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten is hierbij geweigerd omdat deze niet medisch noodzakelijk is geacht op grond van de psychische klachten die in verband staan met de vervolging.
2. In beroep is namens appellant aangevoerd dat het ten behoeve van het bestreden besluit ingestelde medisch onderzoek onvoldoende betrouwbare uitkomsten biedt, dat de bij dat onderzoek vastgestelde beperkingen op psychisch gebied moeten leiden tot een periodieke uitkering via de zogenoemde omgekeerde bewijslast van artikel 7, tweede lid, van de Wet en dat onvoldoende is onderzocht of de fysieke klachten van appellant psychosomatisch van aard zijn en op die grond in verband staan met de vervolging. Voorts zijn grieven ingediend tegen de weigering om aan appellant een voorziening toe te kennen voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.
3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Allereerst stelt de Raad vast dat de in het bestreden besluit vervatte weigering appellant (op grond van artikel 20 van Pro de Wet) een voorziening voor “sociaal vervoer” toe te kennen naast de hem reeds toegekende tegemoetkoming DMV een primair besluit betreft, nu het besluit van 23 december 2005 daarop geen betrekking heeft. Op grond van artikel 44 van Pro de Wet in samenhang met artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient hiertegen eerst bezwaar te worden gemaakt voordat beroep bij een administratieve rechter kan worden ingesteld. De Raad zal het beroepschrift ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb aan verweerster doorzenden om het als bezwaarschrift tegen genoemd onderdeel van het besluit van 4 augustus 2006 in behandeling te laten nemen.
4.2. Met betrekking tot het bestreden besluit voor het overige wordt overwogen dat op grond van de zich onder de gedingstukken bevindende medische gegevens, waaronder een rapport van 1 juli 2006 van de psychiater H.S.R. Witte, niet kan worden geconclu-deerd dat verweerster onterecht heeft aangenomen dat de psychische klachten van appellant die in verband staan met de vervolging, de slaapproblemen, niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.
De Raad heeft hierbij geen aanleiding gevonden om appellant te volgen in zijn grief dat de door psychiater Witte vastgestelde beperkingen niet betrouwbaar zouden zijn door onvoldoende communicatie. Appellant is bij het onderzoek door deze psychiater bijgestaan door zijn nicht, die indien nodig ook voor vertaling heeft gezorgd. Voorts geeft de inhoud van het rapport van deze psychiater geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn bevindingen.
4.3. Dat de klachten van verwardheid met psychotische kenmerken en cognitieve achteruitgang berusten op degeneratieve processen en niet in verband staan met de vervolging is naar het oordeel van de Raad door verweerster voldoende onderbouwd. Voor de stelling dat de fysieke klachten van appellant zouden voortvloeien uit de causale psychische klachten heeft de Raad geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden. Voor toepassing van de omgekeerde bewijslast heeft verweerster dan ook terecht geen aanleiding gezien.
5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.G. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.P. Schieveen.