ECLI:NL:CRVB:2007:BA8249
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.G. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering periodieke WUV-uitkering wegens onvoldoende causaal verband klachten en vervolging
Appellant, geboren in 1932, vroeg in januari 2005 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster kende hem een tegemoetkoming toe, maar weigerde de periodieke uitkering omdat de psychische klachten (slaapproblemen) niet leidden tot verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten. Ook werd geen causaal verband aangenomen voor andere fysieke en psychische klachten.
Appellant stelde in beroep dat het medisch onderzoek onvoldoende betrouwbaar was en dat de omgekeerde bewijslast van artikel 7 lid 2 van Pro de Wet van toepassing moest zijn. Tevens voerde hij aan dat onvoldoende was onderzocht of zijn fysieke klachten psychosomatisch waren en in verband stonden met de vervolging. Ook werd bezwaar gemaakt tegen de weigering van een voorziening voor sociaal vervoer.
De Raad oordeelde dat de weigering van de voorziening voor sociaal vervoer een primair besluit betrof waartegen eerst bezwaar gemaakt moest worden. De Raad vond dat verweerster voldoende had onderbouwd dat de psychotische en cognitieve klachten niet aan de vervolging waren toe te schrijven. Er was geen aanwijzing dat de fysieke klachten voortvloeiden uit psychische klachten gerelateerd aan vervolging. De omgekeerde bewijslast was dan ook niet van toepassing. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een periodieke WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.