ECLI:NL:CRVB:2007:BA8256

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5805 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vervolgaanvraag cardio-fitnesskosten wegens hartklachten bij vervolgingsslachtoffer

Appellant, een vervolgingsslachtoffer geboren in 1935, diende een vervolgaanvraag in voor vergoeding van cardio-fitnesskosten vanwege hartklachten. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvraag af omdat de hartklachten niet in het vereiste verband stonden met de ondergane vervolging, maar werden beschouwd als constitutioneel en leeftijdsgebonden.

De Centrale Raad van Beroep heeft het beroep van appellant behandeld, waarbij appellant niet is verschenen. De Raad baseerde zich op medische adviezen van geneeskundig adviseurs die stelden dat appellant begin 2005 een silent infarct had doorgemaakt, zonder eerdere cardiale klachten of langdurige hypertensie. Deze medische gegevens ondersteunden het oordeel dat de hartklachten niet verband hielden met de vervolging.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd. De omgekeerde bewijslast uit artikel 7, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 was niet van toepassing omdat een andere oorzaak van de klachten was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vervolgaanvraag cardio-fitnesskosten wegens hartklachten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/5805 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 21 juni 2007
I PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 24 augustus 2006, kenmerk JZ/60/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1935, vervolgde en uitkeringsgerech-tigde in de zin van de Wet. In het verleden is aanvaard dat de psychische klachten van appellant in het vereiste verband staan met de door hem ondergane vervolging. Voor zijn gebitsklachten, zijn spondylarthrose en zijn knieklachten is een zodanig verband niet aangenomen.
Naar de Raad bij zijn eerdere uitspraak tussen partijen van 18 mei 2006, nr. 05/5222 WUV, heeft vastgesteld, is bij schrijven van 15 juni 2005 namens appellant een vervolgaanvraag ingediend om een voorziening in de kosten van cardio-fitness wegens hartklachten.
Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 11 juli 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit, onder overweging - kort gezegd - dat de hartklachten van appellant niet in het vereiste verband staan met de ondergane vervolging doch constitutioneel en leeftijdsgebonden zijn.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen namens partijen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op al over appellant in verband met eerdere aanvragen bekende gegevens en op nader bij de behandelende sector ingewonnen informatie. Aangegeven is dat appellant begin 2005 een silent infarct heeft doorgemaakt en dat uit de voorhanden gegevens niet blijkt van eerdere cardiale klachten en/of van een al langer aanwezige hypertensie.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische en andere gegevens heeft de Raad voorts geen aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van het in deze adviezen neergelegde, door verweerster gevolgde medisch oordeel te twijfelen. Dit brengt, nu in de genoemde adviezen een duidelijk andere oorzaak van de hartklachten is genoemd, ook mee dat de namens appellant nog bepleite toepassing van de in artikel 7, tweede lid, van de Wet vervatte regeling over de omgekeerde bewijslast in dit geval niet aan de orde is.
Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.P. Schieveen.