ECLI:NL:CRVB:2007:BA8314

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6631 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 59a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 61a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering te veel betaalde uitkering wegens opzet of grove nalatigheid bij onvolledig invullen inlichtingenformulieren

Appellante, erkend als vervolgde en ontvanger van een periodieke uitkering, vulde over de jaren 2001 tot en met 2004 inlichtingenformulieren onvolledig in door haar inkomsten uit Social Security niet te vermelden. Verweerster stelde dit vast en bracht deze inkomsten in mindering op de uitkering, waarbij een bedrag van € 29.329,84 werd teruggevorderd als te veel betaalde uitkering.

Appellante voerde aan dat haar psychische toestand haar niet aansprakelijk stelde voor het onjuist invullen van de formulieren en betwistte het bestaan van opzet of grove nalatigheid. Ook stelde zij dat de formulieren onduidelijk waren en vroeg zij om een lagere verrekening van het terug te vorderen bedrag.

De Raad overwoog dat het niet melden van inkomsten uit Social Security een schending van de mededelingsplicht is en kwalificeert als grove nalatigheid. De medische verklaringen konden niet overtuigend aantonen dat appellante niet in staat was haar belangen te behartigen. De formulieren waren duidelijk en appellante had zelf de formulieren ingevuld en ontkende andere inkomsten terwijl deze wel bestonden.

De Raad oordeelde dat verweerster terecht het te veel betaalde bedrag terugvordert en dat het verlagen van de maandelijkse verrekening tot 1 januari 2008 een redelijke overgangstermijn is. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en vergoeding van proceskosten werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van te veel betaalde uitkering bevestigd.

Uitspraak

06/6631 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] , wonende te [woonplaats], USA (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 11 oktober 2006, kenmerk JZ/U80/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Namens appellante is verschenen mr. J. van der Wiel, advocaat te Eindhoven. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1934, is erkend als vervolgde de zin van de Wet en ontvangt als zodanig vanaf 1 januari 1989 een periodieke uitkering. In 2006 is bij verweerster bekend geworden dat appellante reeds vanaf juli 2001 maandelijkse inkomsten ontvangt uit Social Security. Deze inkomsten heeft appellante niet vermeld op de over de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 door haar ingevulde inlichtingenformulieren. Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft verweerster deze inkomsten alsnog op de uitkering van appellante op grond van de Wet in mindering gebracht. Aan de hand van de jaaropgaven van Social Security is de uitkering over de jaren 2001 tot en met 2004 herzien, de uitkering over 2005 definitief vastgesteld en is deze vanaf 1 januari 2006 voorlopig bijgesteld. Hierbij is vastgesteld dat in totaal over de periode van 1 augustus 2001 tot 1 januari 2006 een bedrag van € 29.329,84 te veel aan uitkering aan appellante is betaald, welk bedrag van haar wordt teruggevorderd en dat een bedrag van € 818,- te veel is betaald als gevolg van de Voorlopige bijstelling. Voorts is vastgesteld dat de foutieve betaling te wijten is aan opzet of grove nalatigheid van appellante. Het maandelijks te verrekenen bedrag is vastgesteld op € 425,- per maand.
1.2. Het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, zij het dat het maandelijks te verrekenen bedrag tijdelijk tot 1 januari 2008 is verlaagd naar € 100,-.
2. Namens appellante is in beroep in hoofdzaak aangevoerd dat het appellante vanwege haar psychische toestand niet is aan te rekenen dat zij de inkomstenformulieren niet juist heeft ingevuld, waartoe medische verklaringen zijn overgelegd. Verder zou de vraag-stelling in de formulieren niet duidelijk zijn. Bestreden is dat sprake zou zijn van opzet of grove nalatigheid. Aangevoerd is dat op grond van de financiële situatie van appellante zou moeten worden afgezien van terugvordering en dat ook na 1 januari 2008 slechts € 100,- per maand zou moeten worden verrekend met de uitkering van appellante.
3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat over de periode van 1 augustus 2001 tot 1 maart 2006 een bedrag van € 30.147,84 te veel aan uitkering is betaald. Het over 2005 te veel betaalde bedrag wordt op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Wet bij de definitieve vaststelling van de uitkering teruggevorderd of verrekend. Het vanaf 1 januari 2006 teruggevorderde bedrag is een gevolg van de voorlopige bijstelling van de maandelijkse uitkering. Op grond van artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wet wordt de over de periode van 1 augustus 2001 tot en met 31 december 2004 te veel betaalde uitkering niet teruggevorderd of verrekenend tenzij in de herzieningsbeschikking is uitgesproken dat de gebleken onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beschikking ten grondslag gelegde feiten was te wijten aan opzet dan wel grove nalatigheid van belanghebbende.
4.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerster bij het bestreden besluit terecht het standpunt heeft ingenomen dat het onvolledig invullen van de inlichtingenformulieren te kwalificeren is als opzet of grove nalatigheid van appellante. De Raad kan verweerster in dit standpunt volgen. Doorslaggevend daarbij acht de Raad het feit dat appellante geen opgave heeft gedaan van haar inkomsten uit Social Security en daarmee de op haar ingevolge artikel 40 van Pro de Wet rustende mededelingsplicht niet heeft nageleefd. Dit heeft de Raad reeds meerdere malen aangemerkt als grof nalatig in de zin van de Wet. De ingediende verklaringen van de behandelend psychiater en psycholoog maken dit niet anders, aangezien deze niet tot de conclusie kunnen leiden dat appellante bij voortduring niet in staat is geweest haar belangen te behartigen. Appellante heeft de formulieren over de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 ook steeds zelf ingevuld en daarbij op adequate wijze gedetailleerde (nadere) inlichtingen verschaft over bijvoorbeeld ziektekosten. De vraag of appellante ook andere bronnen van inkomsten had dan de reeds op de formulieren aangegeven inkomsten is voldoende duidelijk en deze heeft ze steeds ontkennend beantwoord, terwijl ze reeds vanaf juli 2001 inkomsten uit Social Security ontving en deze niet als bij verweerster bekende inkomsten op de formulieren waren vermeld. Appellante heeft in de correspondentie met verweerster over de niet opgegeven inkomsten ook geen beroep gedaan op haar psychische problemen, maar slechts aangegeven dat zij bij het invullen van de formulieren had gedacht dat de inkomsten uit Social Security niet behoefden te worden opgegeven.
4.3. Gezien hetgeen onder 4.1 en 4.2. is overwogen, was verweerster verplicht het te veel betaalde over 2005 terug te vorderen en bevoegd het te veel betaalde over 2001 tot en met 2004 terug te vorderen. De Raad ziet in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanleiding om verweerster verplicht te achten van terugvordering van (een deel van) het te veel betaalde bedrag af te zien.
4.4. Dat het bij het bestreden besluit te verrekenen bedrag slechts tot 1 januari 2008 is vastgesteld op € 100,- en daarna weer op € 425,- acht de Raad eveneens in rechte houdbaar, nu verweerster hiermee naar het oordeel van de Raad een redelijke overgangstermijn in acht heeft genomen.
5. Het beroep van appellante dient dus ongegrond te worden verklaard.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
16.05