ECLI:NL:CRVB:2007:BA8485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting en terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid
Appellant ontvangt sinds maart 2002 een WAO-uitkering, aanvankelijk berekend op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Vanaf september 2002 werkt appellant bij Verhoorn VOF, en vanaf september 2003 bij Parcel Trans met een hoger inkomen. Het UWV paste op 9 juli 2004 artikel 44 van Pro de WAO toe, waardoor de uitkering werd verlaagd tot nihil vanwege de inkomsten vanaf september 2003.
Appellant maakte bezwaar tegen deze korting en de terugvordering van €1.829,96, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht artikel 44 toepaste Pro en dat appellant redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de gevolgen van zijn inkomsten voor de uitkering. De Raad vernietigt echter het oordeel van de rechtbank dat de terugvordering niet tot het geding behoorde, omdat het UWV op 12 juli 2003 een terugvorderingsbesluit nam dat binnen het geding valt.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de gesprekken waarop appellant zich beroept dateren van vóór zijn werkzaamheden bij Parcel Trans en het besluit tot beëindiging van de uitkering van maart 2005 na het bestreden besluit ligt. Het feit dat het UWV de uitkering na 9 juli 2003 onterecht bleef uitbetalen, leidt niet tot schending van het vertrouwensbeginsel. De Raad verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het UWV mag de terugvordering handhaven.