ECLI:NL:CRVB:2007:BA8613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- H.J. Simon
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid UWV en beoordeling arbeidsongeschiktheid in ziektewetprocedure
Appellant, werkzaam als docent, meldde zich wegens lichamelijke en psychische klachten gedeeltelijk en later volledig ziek. Diverse besluiten van het UWV en de Minister inzake ziekte-uitkeringen werden genomen, waarbij het geschil vooral ging over de arbeidsongeschiktheid en de bevoegdheid van het UWV om op bezwaar te beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat het UWV niet bevoegd was om op het bezwaar tegen het namens de Minister genomen besluit in het kader van de BZA te beslissen. Tevens werd vastgesteld dat het UWV voor het eerst over de arbeidsongeschiktheid per 4 december 2003 had beslist, wat een primair besluit betrof waartegen eerst bezwaar gemaakt had moeten worden. Daarom was het beroep over die datum niet-ontvankelijk.
De Raad benadrukte dat de Richtlijn Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium ook van toepassing is op de Ziektewet en dat surmenageklachten, ondanks moeilijk objectiveerbaarheid, in aanmerking moeten worden genomen. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat het nieuwe besluit op bezwaar nog niet was genomen en de gevolgen daarvan nog onbekend waren.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 17 juni 2003 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd; het beroep tegen het besluit over 4 december 2003 wordt niet-ontvankelijk verklaard.