ECLI:NL:CRVB:2007:BA8934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7193 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging WAO-uitkeringsbesluit wegens onvoldoende arbeidskundige motivering

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit van 17 september 2002 vernietigde, waarin betrokkene geen WAO-uitkering werd toegekend wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

De rechtbank oordeelde dat de medische grondslag van het besluit juist was, maar dat de arbeidskundige onderbouwing niet voldeed aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen. Met name ontbrak inzicht per functie in signaleringen en overschrijdingen van normaalwaarden en een duidelijke motivering waarom deze de belastbaarheid niet te boven gingen.

In hoger beroep betoogde appellant dat een eerder rapport van een bezwaararbeidsdeskundige voldoende motivering bood, maar de Raad stelde vast dat de noodzakelijke onderbouwing pas in het rapport van maart 2007 per functie inzichtelijk werd gemaakt, wat te laat was voor de rechtbank. Daarom werd het hoger beroep afgewezen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit konden op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand blijven.

Uitkomst: De vernietiging van het besluit wordt bevestigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Uitspraak

04/7193 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2004, 02/4637 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 26 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellant een arbeidskundig rapport van 15 maart 2007 met bijlagen ingezonden.
Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007.
Appellant werd vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Kuilenburg.
Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 17 september 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant een eerder besluit van 15 april 2002 gehandhaafd, waarin aan betrokkene geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 22 maart 2002 minder dan 15% was.
Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de proceskosten en het griffierecht aan betrokkene vergoed moesten worden.
De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft zij overwogen dat deze niet voldoet aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen omdat niet per aan de betrokkene voorgehouden functie afzonderlijk inzichtelijk is gemaakt of er sprake is van signaleringen en/of overschrijdingen van de normaalwaarden, er geen aandacht is besteed aan niet-matchende punten en niet per afzonderlijke functie op inzichtelijke wijze is gemotiveerd waarom deze de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat.
Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat in het rapport van 3 september 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper, dat aan de rechtbank is toegezonden, per afzonderlijke functie een toelichting is gegeven waarmee voldoende is gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt dat deze de beperkingen van betrokkene niet te boven gaat. Appellant is van mening dat hiermee is voldaan aan de eisen die de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716 e.v.) heeft gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS); appellant meent dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven.
De Raad kan appellant hierin niet volgen en stelt vast dat niet eerder dan in het rapport van 15 maart 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige W.J.G. Mulder per geduide functie afzonderlijk inzichtelijk is gemaakt waar zich mogelijk overschrijdingen van de belastbaarheid van betrokkene voordeden en voor elk gesignaleerd punt afzonderlijk is gemotiveerd waarom dit de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat. De noodzakelijke onderbouwing is uiteindelijk dus pas in de hoger beroepsfase tot stand gekomen.
De rechtbank heeft daarom op zich terecht en op goede gronden geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Het hoger beroep slaagt in dat opzicht derhalve niet.
In de omstandigheid dat in hoger beroep alsnog de noodzakelijke onderbouwing is gegeven ziet de Raad wel aanleiding tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen worden gelaten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en
C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) R.A. Huizer.
JL