ECLI:NL:CRVB:2007:BA9160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vaststelling opzegtermijn voor WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 1 december 1991 werkzaam als directeur bij een onderneming, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst, later via een management-BV, en vanaf 1 september 2001 weer op basis van een arbeidsovereenkomst. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst ontving appellant een ontbindingsvergoeding. Het UWV weigerde een WW-uitkering tot 1 maart 2005 toe te kennen, omdat het de ontbindingsvergoeding gelijkstelde aan loon over een opzegtermijn van ruim 13 jaar, waarbij ook de periode via de management-BV werd meegerekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV ten onrechte de periode van 1 april 1995 tot 1 september 2001 als arbeidsovereenkomst heeft aangemerkt, ondanks de premies die over die periode zijn afgedragen. De Raad volgt appellant in zijn standpunt dat alleen de arbeidsovereenkomst vanaf 1 september 2001 relevant is voor de berekening van de opzegtermijn.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalt dat het UWV opnieuw moet beslissen over de aanvraag WW-uitkering met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit van het UWV en bepaalt dat de WW-uitkering moet worden toegekend vanaf 1 februari 2005 met een opzegtermijn vanaf 1 september 2001.