ECLI:NL:CRVB:2007:BA9415
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant, werkzaam als douanehulp via een uitzendbureau, viel op 1 juni 2004 uit met vermoeidheidsklachten. Na medisch onderzoek verklaarde verzekeringsarts Lafeber hem per 2 augustus 2004 hersteld. Het UWV beëindigde daarom het ziekengeld per die datum, maar appellant viel na een uur werken weer uit. Op 30 augustus 2004 bevestigde Lafeber dat appellant geschikt was voor werk, waarna het UWV het ziekengeld per 31 augustus 2004 weigerde.
Appellant voerde aan dat de medische onderzoeken onzorgvuldig waren en dat zijn artsen andere bevindingen hadden. De Raad nam echter een aanvullende rapportage van een bezwaarverzekeringsarts mee in de beoordeling en concludeerde dat appellant terecht geschikt werd geacht voor zijn werk. Psychische klachten die later in 2004 en begin 2005 ontstonden, konden geen rol spelen bij de beoordeling per 31 augustus 2004.
De Raad oordeelde dat de rechtbank Rotterdam de zaak zorgvuldig had behandeld en dat het hoger beroep niet slaagde. Er waren geen gronden om het besluit te vernietigen of toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant per 31 augustus 2004 geschikt werd geacht voor zijn werk.