ECLI:NL:CRVB:2007:BA9506

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3498 + 05-5828 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging WAO-uitkeringsbesluit wegens onzorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant, een voormalig timmerman, ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na melding van toegenomen klachten in 2001 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 15-25%, later verhoogd naar 55-65% en vervolgens 65-80%. Appellant stelde dat de schattingen onjuist waren vanwege overschatting van zijn mogelijkheden en onjuiste medische beoordeling.

De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van het UWV op arbeidskundige gronden, omdat de functies waarop de schatting was gebaseerd actualiseringsdata hadden na de datum in geschil. Het UWV nam een nieuw besluit, maar ook dit werd aangevochten wegens onzorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische grondslag niet op de voorgeschreven wijze was vastgesteld, mede doordat relevante medische informatie niet door een verzekeringsarts was beoordeeld. Tevens waren de functies waarop de schatting was gebaseerd niet actueel ten tijde van de in geschil zijnde datum. Hierdoor was het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en moest het worden vernietigd.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Over mogelijke schadevergoeding kon de Raad nog niet oordelen omdat het nieuwe besluit nog moet worden genomen.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

05/3498 + 05/5828 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2005, 04/2578 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 3 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Namens appellant is
mr. De Bie verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer
A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant, laatstelijk werkzaam als timmerman, is in juli 1996 uitgevallen als gevolg van gewrichtsklachten en surmenage klachten. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verstrekt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Op 21 mei 2001 meldde appellant - telefonisch - aan het Uwv dat sprake was van toegenomen klachten. Bij brief van 16 december 2001 berichtte appellant het Uwv nogmaals dat zijn klachten waren toegenomen en dat deze klachten voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellant reeds uitkering ontving.
Vervolgens vond op 15 maart 2002 het verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats door M. Harbiye, arts. Uit de door hem opgemaakte rapportage van gelijke datum blijkt dat bij appellant sprake is van toegenomen klachten aan het bewegingsapparaat. Harbiye stelde op 15 maart 2002 de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op waarbij diverse beperkingen werden aangenomen. Na arbeidskundig onderzoek door de arbeidsdeskundige M.A. van Doornum bleek dat er, rekening houdende met appellants mogelijkheden, voldoende functies te duiden waren die aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd, als gevolg waarvan het verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 18% bedroeg zodat appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% moest worden ingedeeld.
Op basis van het voorgaande heeft het Uwv bij besluit van 25 november 2002 aan appellant meegedeeld dat de WAO-uitkering met ingang van 18 juni 2001 wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 21 januari 2004, hierna: bestreden besluit I, gegrond verklaard en het Uwv heeft aan appellant met ingang van
18 juni 2001 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het Uwv heeft hierbij op grond van het onderzoek door de bezwaar-verzekeringsarts R.J. van den Oever, zoals weergegeven in zijn rapportage van
26 november 2003, geconcludeerd dat de medische grondslag van het besluit ongewijzigd kan worden gehandhaafd. Op basis van de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.P.M. Optekamp-van Kaam van 22 december 2003 bedraagt appellants verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 60%, zodat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse
55 tot 65% aan de orde is.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit op bezwaar bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit voorts vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting op een juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat appellants mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid zoals weergegeven in de FML van 15 maart 2003 opgemaakt door Harbiye en door bezwaarverzekeringsarts
R.J. van den Oever in zijn rapportage van 26 november 2003 geaccordeerd, niet zijn overschat. Ten aanzien van de namens appellant in beroep ingebrachte medische informatie uit de behandelende sector van neuroloog dr. H.L. Hamburger van 28 juli 2003 en reumatoloog A.P.A. Prins van 23 april 2003, is de rechtbank, evenals het Uwv, van oordeel dat deze informatie niet ziet op de in geding zijnde datum.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de schatting evenwel niet in stand kan blijven in verband met arbeidskundige redenen. Ten aanzien van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies stelde de rechtbank aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst vast dat de actualiseringdata van die functies zijn gelegen na de datum in geding. Ook uit de ter zitting door de gemachtigde van het Uwv overgelegde uitdraai van het Claim Beoordeling en Borging Systeem (CBBS) kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat ook daar sprake is van actualiseringdata gelegen na 18 juni 2001, zijnde de datum in geding. Onder verwijzing naar ’s Raads vaste jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat deze functies niet aan de schatting ten grondslag gelegd kunnen worden, als gevolg waarvan de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en het bestreden besluit vernietigd moet worden.
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak. Gemachtigde van appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit in stand kan blijven gelet op het feit dat de mogelijkheden van appellant per 18 juni 2001 zijn overschat. Hierbij wordt verwezen naar de in beroep ingebrachte medische informatie alsmede naar het als bijlage bij het hoger beroepschrift overgelegde medisch journaal van de huisarts.
Het Uwv heeft berust in de uitspraak van de rechtbank. Bezwaararbeidsdeskundige
D.J. Rooze heeft naar aanleiding van een hernieuwd arbeidskundig onderzoek, zoals neergelegd in zijn rapportage van 10 augustus 2005, gesteld dat er nog voldoende functies zijn die aan de schatting ten grondslag gelegd kunnen worden op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant moet worden vastgesteld op ongeveer 75%.
In vervolg hierop heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2005, hierna: bestreden besluit II, aan appellant met ingang van 18 juni 2001 opnieuw een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Gemachtigde van appellant heeft bij schrijven van 22 september 2005 aan de Raad meegedeeld het niet eens te zijn met het bestreden besluit II aangezien alle geduide functies wederom actualiseringdata kennen die zijn gelegen na de in geding zijnde datum.
De Raad oordeelt als volgt.
Ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de Raad, aangezien het bestreden besluit II, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, niet - geheel - aan het beroep tegemoet komt, in zijn beoordeling betrekken.
Ten aanzien van de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting is de Raad, daargelaten de eerst ter zitting opgeworpen grief van gemachtigde van appellant dat het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten onrechte niet door een verzekerings-arts is uitgevoerd, van oordeel dat deze beoordeling niet in stand kan blijven.
De Raad is, onder verwijzing naar zijn jurisprudentie zoals neergelegd in de uitspraak van 2 augustus 2005, LJN AU1011, van oordeel dat de namens appellant in beroep ingebrachte medische informatie van de behandelende neuroloog en reumatoloog ten onrechte niet is voorgelegd aan de bezwaarverzekeringsarts en uitsluitend beoordeeld is door een medewerker bezwaar en beroep, zijnde een niet-medicus. De Raad overweegt hierbij dat uit het enkele gegeven dat de namens appellant verstrekte medische informatie dateert van na de in geding zijnde datum niet reeds kan worden afgeleid dat deze informatie geen betrekking kan hebben op de medische situatie van appellant ten tijde van de in geding zijnde datum. Dit klemt te meer nu het verzekeringsgeneeskundig onderzoek alsmede de vaststelling van de FML eerst op 15 maart 2002, derhalve tien maanden na appellants - eerste - melding van toegenomen klachten, heeft plaatsgevonden.
In het licht van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit I niet op de voorgeschreven wijze is vastgesteld, op grond waarvan het bestreden besluit I in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant gericht tegen het bestreden besluit I slaagt en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit I in stand kan blijven. Als gevolg hiervan komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling als neergelegd in het bestreden besluit II overweegt de Raad dat de actualiseringdata van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies dateren van na de in geding zijnde datum. Onder verwijzing naar ’s Raads vaste jurisprudentie, zie onder meer zijn uitspraak van 23 februari 2007, LJN AZ9153, ziet de Raad geen aanleiding in afwijking hiervan voor wat betreft de actualisering van de functies aansluiting te zoeken bij de heronderzoekdata van de functies.
Derhalve resteren er, gelet op artikel 9, aanhef onder a van het ten tijde van de datum in geding geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307) onvoldoende functies waarop de schatting kan worden gebaseerd. Als gevolg hiervan is het bestreden besluit II in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 7:12 van Pro de Awb op grond waarvan dit besluit moet worden vernietigd.
Gemachtigde van appellant heeft op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de zijde van appellant. Nu het Uwv een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten bestreden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Volledigheidshalve merkt de Raad hierbij nog op dat de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat er abusievelijk geen besluit is genomen met betrekking tot vergoeding van de wettelijke rente bij de afgifte van het bestreden besluit II. De gemachtigde van het Uwv heeft toegezegd dat een besluit hieromtrent alsnog wordt genomen.
Tot slot acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 17 augustus 2005 gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit van 17 augustus 2005;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en
B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) O.C. Boute.
MH