ECLI:NL:CRVB:2007:BA9576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over toepassing hardheidsclausule bij WAZ-uitkering
Betrokkene, werkzaam als zelfstandig bedrijfstrainer, kreeg op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) een uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100 en een grondslag van € 26,64. Bezwaar tegen de hoogte van deze grondslag werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond omdat appellant de toetsing aan de hardheidsclausule van artikel 10, derde lid, van het Inkomensbesluit WAZ niet had toegepast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het uitgangspunt van feitelijke inkomensderving bij de WAZ consequent wordt toegepast en dat de hardheidsclausule niet zonder meer kan worden toegepast zoals de rechtbank had geoordeeld. Betrokkene stelde dat door een zware mishandeling in 1998 zijn omzet in 1998 en 1999 lager was en pas in 2000 herstelde. De Raad acht dit onvoldoende reden om de hardheidsclausule toe te passen.
Verder stelde betrokkene subsidiair dat de grondslag berekend moest worden op basis van fiscale winst van de vijf jaren voorafgaand aan het arbeidsongeschiktheidsjaar, wat tot een hogere grondslag zou leiden. De Raad vond echter geen verifieerbare gegevens over 1995 en 1996 en oordeelde dat het aan betrokkene was om die gegevens te verstrekken.
De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de hardheidsclausule betrof en verklaart het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de toepassing van de hardheidsclausule betreft.