ECLI:NL:CRVB:2007:BA9702

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4068 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na herstelverklaring preventieadviseur

Appellant, werkzaam als preventieadviseur, viel in augustus 2000 uit wegens rugklachten. Na een periode van arbeidsongeschiktheid en het hervatten van werk op arbeidstherapeutische basis, meldde hij zich opnieuw ziek. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. Na een nieuwe ziekmelding in mei 2004 en beëindiging van het dienstverband, verklaarde een verzekeringsarts appellant per 6 december 2004 hersteld.

Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij nog onder behandeling was en dat het werk als preventieadviseur niet meer bestond, maar bracht geen nieuwe medische informatie aan. De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts op goede gronden appellant per 13 december 2004 hersteld heeft verklaard en dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding om af te wijken van de medische beoordelingen. Tevens werd benadrukt dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid plaatsvindt ten opzichte van de laatstelijk verrichte arbeid of soortgelijke arbeid, ook als het oorspronkelijke werk niet meer bestaat. Het hoger beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 13 december 2004 hersteld is verklaard en dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd.

Uitspraak

05/4068 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2005, 05/208 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als preventie adviseur toen hij in augustus 2000 uitviel wegens rugklachten. Bij besluit van 20 juli 2001 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 7 augustus 2001 na het volbrengen van de zogeheten wachttijd van 52 weken geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat hij geschikt wordt geacht voor zijn laatstelijk verrichte werk als preventie adviseur.
Nadat hij zijn werk op arbeidstherapeutische basis voor 2,5 dag per week heeft hervat heeft appellant zich op 31 oktober 2001 opnieuw ziek gemeld wegens rugklachten. Het Uwv heeft bij besluit van 20 november 2002 geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 1 mei 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard omdat appellant vanaf 31 oktober 2001 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem bij uitspraak van 26 maart 2004 (reg.nr.: 03/1283) ongegrond verklaard.
Op 3 mei 2004 heeft appellant zich ziek gemeld wegens rug-, nek- en schouderklachten. Het dienstverband is vervolgens op 28 mei 2004 beëindigd. Naar aanleiding van de ziekmelding van 3 mei 2004 heeft de verzekeringsarts P.L.H. Janssen appellant meerdere malen op zijn spreekuur ontvangen. Janssen is na de ontvangen informatie van anesthesioloog M. Bijkerk en neuroloog A.T.M. Hagemans tot de conclusie gekomen dat appellant per 6 december 2004 weer in staat kan worden geacht zijn arbeid als preventie adviseur te verrichten.
Bij besluit van 7 december 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 6 december 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat hij met ingang van deze datum niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts
F.J.J. Gulick heeft op 10 juni 2005 een rapport uitgebracht en op grond van de beschikbare gegevens, en het bijwonen van de hoorzitting, vastgesteld dat er geen reden is om appellant arbeidsongeschikt te achten voor zijn arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft echter de datum van herstel verschoven, omdat appellant op de hoorzitting heeft aangegeven dat hij op de datum van herstel, te weten 6 december 2004, een blokkadebehandeling heeft ondergaan.
Bij besluit van 18 januari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, onder overweging dat appellant met ingang van 13 december 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep voert appellant aan dat hij nog steeds onder behandeling is bij dokter Bijkerk. In februari 2005 heeft hij een gesprek gehad met dokter Bijkerk over zijn schouderklachten. Deze heeft hem doorverwezen naar dokter Dekker, orthopedisch chirurg. Dokter Dekker heeft volgens appellant röntgenfoto’s gemaakt en hem aangeraden zich te laten opereren. Appellant stelt dat het Uwv hem tijdens de behandeling hersteld heeft verklaard en maakt bezwaar tegen het feit dat het Uwv hem niet de behandeling heeft laten afmaken. Verder stelt appellant dat het werk dat hij heeft gedaan (preventie adviseur) niet meer bestaat.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen, die in hun rapportage blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de behandelend anesthesioloog en neuroloog, en dat de bezwaarverzekeringsarts nog aandacht heeft besteed aan de zwaarte van het werk van appellant. Appellant heeft aangevoerd dat het werk niet meer bestaat, maar volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de ongeschiktheid van een werkloze verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de laatstelijk voor de aanvang van de werkloosheid feitelijk verrichte arbeid. Als vaststaat dat de verzekerde niet meer in dienst van de vroegere werkgever kan terugkeren, is diezelfde arbeid, maar dan verricht in dienst van een soortgelijke werkgever de maatstaf voor de beoordeling van het recht op ziekengeld.
Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Hierbij merkt de Raad nog op dat appellant in hoger beroep geen medische informatie heeft ingebracht die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand.
De Raad is dan ook van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts appellant op goede gronden per 13 december 2004 hersteld heeft verklaard. Gelet daarop heeft het Uwv terecht geweigerd appellant per die datum verdere uitkering ingevolgde de Ziektewet te verstrekken. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Bruning . De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) J. Verrips.