ECLI:NL:CRVB:2007:BA9702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na herstelverklaring preventieadviseur
Appellant, werkzaam als preventieadviseur, viel in augustus 2000 uit wegens rugklachten. Na een periode van arbeidsongeschiktheid en het hervatten van werk op arbeidstherapeutische basis, meldde hij zich opnieuw ziek. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. Na een nieuwe ziekmelding in mei 2004 en beëindiging van het dienstverband, verklaarde een verzekeringsarts appellant per 6 december 2004 hersteld.
Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij nog onder behandeling was en dat het werk als preventieadviseur niet meer bestond, maar bracht geen nieuwe medische informatie aan. De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts op goede gronden appellant per 13 december 2004 hersteld heeft verklaard en dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding om af te wijken van de medische beoordelingen. Tevens werd benadrukt dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid plaatsvindt ten opzichte van de laatstelijk verrichte arbeid of soortgelijke arbeid, ook als het oorspronkelijke werk niet meer bestaat. Het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 13 december 2004 hersteld is verklaard en dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd.