ECLI:NL:CRVB:2007:BA9890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens recht op onverminderde loondoorbetaling bij ziekte
Appellant was sinds 1 oktober 2001 in dienst bij zijn werkgever en staakte zijn werkzaamheden wegens psychische klachten op 7 juni 2003. Vanaf 8 juni 2004 ontving hij een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. De werkgever betaalde vanaf die datum geen loon meer. Appellant verrichtte enige arbeidstherapie-activiteiten zonder loonwaarde.
Het UWV weigerde de WW-uitkering vanaf 8 juni 2004 omdat appellant volgens artikel 16 van Pro de WW geen werkloze was vanwege recht op onverminderde loondoorbetaling. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat de werkgever niet verplicht was loon te betalen na 52 weken ziekte, maar wel passende arbeid moest aanbieden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de werkgever niet gehouden was tot loondoorbetaling omdat er geen passende arbeid was en appellant zich beschikbaar hield. Het UWV had onvoldoende gemotiveerd waarom loonbetaling zou moeten voortduren. De bestreden besluiten en uitspraken worden vernietigd en het UWV wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen, inclusief vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd en het UWV wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.