ECLI:NL:CRVB:2007:BA9891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.P.M. van de Kerkhof
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens hoge inkomsten uit arbeid
Appellant ontvangt sinds 1990 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in 1998 is omgezet naar een WAZ-uitkering. Het UWV stelde vast dat appellant, als directeur-grootaandeelhouder van een onderneming, inkomsten uit arbeid geniet die de hoogte van zijn uitkering overschrijden. Dit leidde tot besluiten waarbij de uitkering niet werd uitbetaald en uiteindelijk werd ingetrokken.
Appellant voerde aan dat hij geen arbeid verrichtte voor de entiteit die sponsorgelden ontving, en dat zijn echtgenote de werkzaamheden verrichtte. De rechtbanken oordeelden echter dat appellant zelf wel degelijk arbeid verrichtte, onder meer door het binnenhalen van sponsorgelden en het onderhouden van contacten.
De Raad onderschrijft de rechtbanken en stelt dat de fiscale keuze van de Belastingdienst als uitgangspunt geldt, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt. De door appellant ingebrachte bijzondere omstandigheden werden niet voldoende geacht. Ook na drie jaar niet-uitbetaling van de uitkering geldt dat de verrichte arbeid als algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangemerkt, wat de intrekking van de uitkering rechtvaardigt.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitkering wordt niet toegekend vanwege de hoogte van de inkomsten uit arbeid, die als zodanig zijn aangemerkt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAZ-uitkering van appellant niet wordt uitbetaald vanwege de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid.