ECLI:NL:CRVB:2007:BA9941

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2454 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig slachter, viel uit wegens rug-, been- en benauwdheidsklachten en verzocht om een WAO-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering met ingang van 22 december 2003, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep richtte appellant zich tegen deze instandhouding, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten en dat hij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV de functie van inpakker koekjes had laten vervallen en dat de overige geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gingen. Er was geen medische informatie aangevoerd die de eerdere medische beoordeling ondermijnde. De psychische klachten, waaronder de importbruidegom-problematiek, waren reeds onderzocht en gaven geen aanleiding tot nader onderzoek.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van appellant ongegrond. Het oordeel dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is, blijft daarmee ongewijzigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het besluit dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is, blijft in stand.

Uitspraak

05/2454 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2005, 04/3320 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door R. Kucukunal, werkzaam op het kantoor van mr. Köse, en door E. Battaloglu als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft laatstelijk als slachter gewerkt gedurende 38 uur. Hij is op 23 december 2002 uitgevallen wegens rug- en beenklachten en benauwdheidsklachten.
Het Uwv heeft hem bij besluit van 12 mei 2004 met ingang van 22 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd.
Het bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 oktober 2004 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden het medische oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. De rechtbank is verder met het Uwv van oordeel dat appellant op en na 22 december 2003 in staat was de geselecteerde functie te verrichten en dat appellant daarmee zijn maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank heeft tevens geconstateerd dat pas in beroep de schatting is voorzien van een dergelijke toelichting. In verband hiermee heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant zich alleen verzet tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit en in dat verband, kort samengevat, naar voren gebracht dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en dat hij uitgaande van die klachten, niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en overweegt daartoe het volgende.
De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt die overwegingen tot de zijne.
Ter zitting heeft appellant er nog op gewezen dat appellants psyschische problemen te maken hebben met de importbruidegom-problematiek en heeft hij de Raad verzocht een deskundige te benoemen om appellant nader te laten onderzoeken.
De Raad is echter van oordeel dat er geen medische informatie is aangevoerd die reden kan zijn om aan te nemen dat appellants psychische toestand onvoldoende is onderzocht en onjuist is vastgesteld. De door appellant vermelde klachten die samenhangen met de importbruidegom-problematiek zijn immers al in de bezwaarprocedure vermeld en onderzocht. Het label importbruidegom-problematiek – wat daar verder ook van zij - voegt hier onvoldoende aan toe om de benoeming van een deskundige te rechtvaardigen.
Het Uwv heeft in hoger beroep de functie van inpakker koekjes laten vervallen. De belasting in overige geselecteerde functies gaat de belastbaarheid van appellant niet te boven en vormen een toereikende basis voor het besluit van het Uwv dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is. De Raad ziet derhalve ook geen arbeidskundige gronden om het hoger beroep te laten slagen.
Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) M. Gunter.
JL