ECLI:NL:CRVB:2007:BA9945

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3578 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
  • M.C.M. van Laar
  • E. Dijt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 juli 2003 in te trekken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was verricht en dat er geen objectieve medische aanwijzingen waren die een hogere mate van beperkingen rechtvaardigden.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling bevestigd. De Raad stelde vast dat beide artsen appellante persoonlijk hadden onderzocht en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) de beperkingen adequaat weerspiegelde. Ook het feit dat het onderzoek kort was, deed niet af aan de zorgvuldigheid ervan. Nieuwe medische verklaringen die kort voor de zitting werden overgelegd, bevatten geen nieuwe relevante informatie over de belastbaarheid op de datum in geding.

De Raad concludeerde dat de schatting van de belastbaarheid en de daaraan ten grondslag gelegde functies overeenstemden met de medische gegevens. Het eerdere oordeel dat appellante in 2006 volledig arbeidsongeschikt werd geacht onder de WIA deed hieraan niet af. De aangevallen uitspraak werd daarom bevestigd en de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 14 juli 2003 wegens een zorgvuldige medische beoordeling.

Uitspraak

05/3578 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2005, 04/3559 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.H. Stork, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stork. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.J.G. Lindeman.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 19 mei 2003 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 juli 2003 ingetrokken. Bij besluit van 7 juli 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 mei 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe, samengevat, overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts appellante hebben onderzocht en dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van door hem opgevraagde informatie van de huisarts van appellante en van haar behandelend revalidatiearts P. Tomassen van het revalidatiecentrum “De Trappenberg”. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van de beschikbare gegevens de belastbaarheid zoals door de verzekeringsarts omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) gehandhaafd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de beide verzekeringsartsen. In de door appellante overgelegde verklaringen van de behandelend fysiotherapeut en chiropractor heeft de rechtbank geen objectief medische aanknopingspunten gezien die zouden moeten leiden tot de conclusie dat bij appellante op de datum in geding sprake was van meer beperkingen dan door de verzekeringsarts vastgesteld.
In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Uit de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat beide artsen appellante op het spreekuur hebben gezien en onderzocht. Dat het onderzoek van korte duur was, zoals appellante stelt, betekent nog niet dat het niet op zorgvuldige wijze is verricht. De verzekeringsarts achtte het redelijk om gezien de aard van de aandoening en de therapeutische voorgeschiedenis aan te nemen dat appellante last heeft van rugklachten en dat haar belastbaarheid om die reden is beperkt. Bij de opstelling van de FML is met de door appellante gestelde beperkingen rekening gehouden. De bezwaarverzekeringsarts heeft de medische beoordeling op zorgvuldige wijze heroverwogen en in de heroverweging informatie van de behandelend sector betrokken. Bij het selecteren van functies die appellante nog zou kunnen vervullen is rekening gehouden met de beperking tot het verrichten van rugsparend werk. Appellante heeft haar standpunt dat zij op de datum in geding als gevolg van haar rugklachten niet in staat was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten ook in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen grond te twijfelen aan de juistheid van de in de FML omschreven belastbaarheid. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn in overeenstemming met die belastbaarheid. Dat appellante bij de beoordeling van haar aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in 2006 als volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd bij gebrek aan te duiden theoretische functies, doet niet af aan de conclusie dat de schatting per 14 juli 2003 op een zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling berust. Ook de kort voor de zitting van de Raad overgelegde brieven van de behandelend anesthesioloog en orthopedisch chirurg van appellante kunnen niet tot een ander oordeel leiden, nu deze geen nieuwe medische gegevens met betrekking tot de belastbaarheid van appellante op de datum in geding bevatten, zoals de gemachtigde van het Uwv, na ruggespraak met de bezwaarverzekeringsarts, ter zitting heeft verklaard.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M. Gunter.
CVG