ECLI:NL:CRVB:2007:BB0036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante was medewerkster in de tuinbouw en meldde zich ziek met klachten aan handen en polsen. Na een periode van arbeidsongeschiktheid werd haar WAO-uitkering ingetrokken omdat zij weer in staat werd geacht haar werk te verrichten. Later meldde zij zich opnieuw ziek met hart-, nek- en schouderklachten en ontving zij een WW-uitkering. Het Uwv verklaarde haar per 2 december 2004 hersteld en stopte het ziekengeld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische klachten en botontkalking niet in staat was te werken, maar bracht geen aanvullende medische bewijsstukken in. De Raad stelde vast dat de medische rapporten geen relevante afwijkingen of psychopathologie toonden en dat botontkalking geen reden was voor arbeidsongeschiktheid. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat appellante vanaf 2 december 2004 haar arbeid kon verrichten.
De Raad vond geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het Uwv mocht het ziekengeld weigeren.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld per 2 december 2004 wordt bevestigd.