ECLI:NL:CRVB:2007:BB0053

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2129 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 38 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onzorgvuldig medisch onderzoek bij WAO-schatting

Appellant ontvangt sinds januari 2001 een WAO-uitkering op basis van 55 tot 65% arbeidsongeschiktheid. In februari 2003 meldde hij zich toegenomen arbeidsongeschikt vanwege mogelijke bijwerkingen van het medicijn diclofenac, voorgeschreven door zijn huisarts. Het UWV baseerde het besluit van juni 2004 om de uitkering niet te herzien op een dossieronderzoek door een verzekeringsarts en bevestiging door een bezwaarverzekeringsarts.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de waarschuwing op de bijsluiter slechts een attentiewaarschuwing was en appellant onvoldoende bewijs leverde van daadwerkelijke bijwerkingen. In hoger beroep stelt appellant dat het besluit onzorgvuldig is omdat geen onderzoek door een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden, wat strijdig is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat een beoordeling van arbeidsongeschiktheid een volledige medische toets vereist, die in dit geval ontbrak omdat het uitsluitend bij dossieronderzoek bleef. Het UWV had appellant moeten onderzoeken om tot een juist oordeel te komen. De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuw besluit op bezwaar. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onzorgvuldig medisch onderzoek en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

05/2129 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2005, 04/1358 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Hollander.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt sinds 16 januari 2001 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Per 17 februari 2003 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij als gevolg van – volgens de bijsluiter mogelijke bijwerkingen van – het door de huisarts aan hem op 13 februari 2003 voorgeschreven medicijn diclofenac niet langer in staat is om alle eerder geselecteerde functies te verrichten. Het Uwv heeft daarop bezien of hierin aanleiding gelegen was om appellants uitkering te herzien. Bij besluit van 9 juni 2004 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 55 tot 65%, zich daarbij baserend op het rapport van de verzekeringsarts J.W.M. Jansen van
8 juni 2004. Verzekeringsarts Jansen heeft na dossieronderzoek aangegeven dat slechts sprake is van een attentiewaarschuwing en dat het gebruik van het medicijn diclofenac geen reden is voor toegenomen arbeidsongeschiktheid op medische gronden. De bezwaarverzekeringsarts T. Miedema heeft dit oordeel in zijn rapport van
10 november 2004 onderschreven. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 2 december 2004 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan het op de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts gebaseerde standpunt van het Uwv dat de waarschuwing op de bijsluiter slechts als een attentiewaarschuwing moet worden opgevat. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat appellant de visie van de (bezwaar)verzekeringsarts niet heeft bestreden door overlegging van (bijvoorbeeld) een brief van zijn huisarts en dat bovendien gesteld noch gebleken is dat eiser daadwerkelijk last had van de door hem bedoelde bijwerkingen.
In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet door een verzekeringsarts is onderzocht.
De Raad oordeelt als volgt.
Een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van het bepaalde in artikel 38 van Pro de WAO dient een volledige medische en arbeidskundige toets in te houden. De medische toets heeft in dit geval uitsluitend bestaan uit een dossieronderzoek. Daarmee heeft de verzekeringsarts miskend dat, nu de huisarts op 13 februari 2003 aan appellant diclofenac heeft voorgeschreven, op de in het geding zijnde datum waarschijnlijk sprake was van toegenomen (pijn)klachten en mogelijk van daaruit voortvloeiende toegenomen beperkingen. Bezwaarverzekeringsarts Miedema heeft in zijn heroverweging ten onrechte de conclusie van de verzekeringsarts zonder meer bevestigd. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv niet tot het in het bestreden besluit neergelegde medische oordeel kunnen komen dan na onderzoek van appellant door een (bezwaar)verzekeringsarts.
Nu het bestreden besluit enkel is gebaseerd op dossieronderzoek is dit besluit onzorgvuldig voorbereid en komt dit, met de uitspraak van de rechtbank waarbij het beroep ongegrond is verklaard, wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E Wulffraat-Van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) M. Gunter.
JL