ECLI:NL:CRVB:2007:BB0076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2815 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vermindering WAO-uitkering wegens winst als zelfstandige

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV tot vermindering van zijn WAO-uitkering op grond van de winst die hij in 2001 als zelfstandige had gerealiseerd. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarbij appellant betoogde dat ten onrechte geen rekening was gehouden met de boekwinst uit de verkoop van een bedrijfsdeel van zijn woning.

De Raad overwoog dat het vaste rechtspraak is om voor de korting aan te sluiten bij de fiscale nettowinst en dat het UWV deze hoofdregel juist had toegepast. De enkele omstandigheid dat sprake was van incidentele boekwinst, het feit dat hierover belasting werd geheven, of dat de winst leidde tot beëindiging van de ziekenfondsverzekering, rechtvaardigen geen afwijking van deze hoofdregel.

De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de feitelijke inkomsten over het boekjaar bepalend zijn voor de korting, zonder noodzaak tot middelen over meerdere jaren. Gezien het voorgaande bevestigt de Raad de aangevallen uitspraak en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De vermindering van de WAO-uitkering van appellant wordt bevestigd.

Uitspraak

05/2815 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 mei 2005, 04/633 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 juli 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. L.G.M. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 2 juli 2004, waarbij is gehandhaafd het besluit van 16 april 2004 tot vermindering van de betaling van de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering vanwege de door hem over 2001 als zelfstandige gerealiseerde winst.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder verwerping van de door appellant aangevoerde, in hoger beroep herhaalde beroepsgrond, dat bij de korting ten onrechte geen rekening is gehouden met de van de fiscale winst over 2001 deel uitmakende boekwinst in verband met de verkoop van het bedrijfskantoor.
Tot de door appellant over 2001 fiscaal verantwoorde bedrijfswinst behoort een eenmalige boekwinst van fl. 17.532,- wegens de verkoop van het bedrijfsdeel van de (privé) woning van appellant.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de door appellant aangevoerde beroepsgrond terecht en met een juiste motivering verworpen. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat voor de voor de korting in aanmerking te nemen arbeidsinkomsten als hoofdregel wordt aangesloten bij de fiscale nettowinst. Het Uwv heeft deze hoofdregel gevolgd.
Anders dan appellant heeft betoogd doen zich ook naar het oordeel van de Raad geen bijzondere omstandigheden voor die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat sprake is van incidentele boekwinst is daartoe in elk geval onvoldoende, evenzeer als het gegeven dat over de boekwinst belasting wordt geheven of de omstandigheid dat, zoals appellant stelt, de winst over 2001 heeft geleid tot beëindiging van de verplichte ziekenfondsverzekering. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat hij in zijn uitspraak van 27 januari 2006, LJN AV0684, reeds heeft uiteengezet dat de feitelijke inkomsten over het boekjaar voor de korting bepalend zijn, ongeacht of deze inkomsten in het betreffende jaar representatief zijn voor de nog bestaande resterende verdiencapaciteit en dat de noodzaak om de inkomsten over meerdere jaren te middelen ontbreekt. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.
Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) O.C. Boute.
JL