ECLI:NL:CRVB:2007:BB0101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld op grond van ongeschiktheid tot arbeid volgens Ziektewet
Appellant, die naast een WAO-uitkering ook een WW-uitkering ontving, meldde zich in 2004 ziek vanwege een longontsteking en liesbreuk. Na een hersteldverklaring meldde hij zich opnieuw ziek in verband met een operatie. Het UWV verklaarde hem per 27 augustus 2004 hersteld en stopte het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door psychische en lichamelijke klachten ongeschikt was voor arbeid. Hij bracht medische brieven in van zijn huisarts en KNO-arts. De Raad oordeelde dat deze medische informatie betrekking had op data na de relevante periode en geen aanleiding gaf tot twijfel aan het UWV-besluit. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat ongeschiktheid voor arbeid in de zin van de Ziektewet wordt beoordeeld aan de hand van de laatst verrichte arbeid en, bij blijvende ongeschiktheid, de WAO-beoordeling.
De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor ten minste één functie geselecteerd in het kader van de WAO en dat het UWV terecht het recht op ziekengeld heeft beëindigd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 27 augustus 2004 wordt bevestigd.